Over Koen Bakx

Koen woont in Tilburg (Nederland) en is nog net geboren in de jaren zestig (van de vorige eeuw) en houdt zich tijdens kantooruren bezig met het ontwerpen en realiseren van websites en fotograferen (zie ook: Pixelxp Webdesign Tilburg). Onbetaalde tijd verdoet hij met improvisatietheater.

Patagonia – Fin Del Mundo

Vannacht hadden we een gletsjer in onze achtertuin. We stonden met onze camper bij Lago Desierto in Parque Nacional Los Glaciares. We zijn al twee weken onderweg en hebben al ongelooflijk veel mooie landschappen en dieren gezien. Tijd voor het eerste reisverslag van onze reis door Patagonië.

Onze reis begon via Parijs en Santiago in Punta Arenas, Chili. Daar hebben we onze pop-up camper opgehaald en begon onze route eerst nog verder zuidwaarts, naar  Tierra del Fuego, Vuurland. Eerst met de boot naar Porvenir, waar geen camping bleek te zijn. Onze eerste nacht in de camper was bitter koud, dus de whisky die Anke met vooruitziende blik had gekocht kwam goed van pas. De nachten zijn nog steeds erg koud, maar overdag is het weer eigenlijk wel goed. Behalve dan die altijd aanwezige snijdende wind. Het waait hier bijna altijd erg hard.

Het is hier zo koud dat zelfs een kleine kolonie koningspinguïns zich hier thuis voelt. Fantastische dieren! Er waren ook jongen – bruine fluffie bollen – en twee pinguïns waren ook bezig om nieuwe baby-pinguïns te maken. 

Vuurland staat vol kleine bomen die door de wind in allerlei rare vormen zijn gesnoeid. Ook staan er veel dode bomen, omdat er veel bevers zitten die ooit zijn geïntroduceerd. Niet zo slim, want ze zijn een plaag geworden en het landschap is er erg door veranderd. In het Tierra del Fuego National Park hebben we naast bevers ook Caracara, Nandu, Guanaco, zuidelijke ibissen, grote spechten, wilde paarden en vossen en gezien. Het voelt als het einde van de wereld, en dat is het misschien ook wel. Next stop is namelijk Antarctica. Helaas niet voor ons. Voor ons ging het vanaf Ushuaia (meest zuidelijke stad) nu weer noordwaarts.

De meeste nachten kamperen we wild, dus zonder faciliteiten. Eerlijk gezegd zijn de keren dat we op een camping stonden de faciliteiten zo slecht, dat we liever niet op campings staan. Het is moeilijk om dingen te vinden. Supermarkt, wandelroutes… ze doen hier niet zo aan bewegwijzering. Anke’s paar Spaanse lessen zijn al zeer goed van pas gekomen (gracias Myriam!), want behalve bij de toeristische plekken spreekt niemand hier iets anders. De wegen zijn vooral onverhard, er is nauwelijks bereik, dus we hebben zelden telefoon en internet en benzinestations zijn ver uit elkaar. Onze camper slurpt enorm, dus we kunnen ongeveer 400 km rijden. Tomtom stuurt ons regelmatig de verkeerde kant op, dus we kwamen bij Punta Delgada in de problemen. Onze jerrycan met reserve-benzine heeft geen schenktuit, dus terwijl we de benzine in het pikkedonker met de altijd aanwezige wind in onze tank probeerden te krijgen ging er veel over Koen’s schoenen en broek. Uiteindelijk het tankstation bereikt, maar die was dicht. Dus: overnachten op de Pampa in the middle of nowhere….

En the middle of nowhere op de pampa, daar is ook echt niets. Heuvels, zand, wind, kleine graspollen, en af en toe een estancia (landgoed) waar wat stoere koeien of schapen staan. En guanaco’s, ongelooflijk sierlijke dieren die keihard kunnen rennen (en dat ook vaak vlak voor je auto) en bijzonder lenig over hekken springen.

National Park Pali Aike was de volgende stop en is een oud vulkanisch gebied met lavabedden, oude kraters en flamingo’s. Een vreemd leeg landschap met hier een daar een guanaco en nandu. Veel graslanden en dan ineens een enorme krater en lavaformaties. Mysterieus landschap en… veel wind.

En dan ben je ineens in de Torres del Paine. Gigantische bergen, stijle rotsen, fantastische wandelingen, gletsjers, felblauwe geltsjermeren en geweldig wildlife.

Een wandeling naar Lago Grey gaf ons een gratis huid-peeling, maar leverde ook een mooi uitzicht op de gletsjer met dezelfde naam. Iedereen liep de kortste route terug, maar wij besloten om een eilandje heen te lopen, en daar troffen we de bedreigde Andes-hertensoort, de Huemul. Die zijn ontzettend zeldzaam en de kans om die te zien is erg klein, maar daar stond ze, twee meter bij ons vandaan, rustig te snoepen van de felrode bloemen die je hier overal ziet. We waren erg rustig, dus we konden wel een half uur van haar gezelschap genieten en uitgebreid foto’s maken. Wat een mazzel!

We wilden ook graag een gordeldier zien, en een dag later hadden we weer geluk. Deze kleine tank kwam voorbij gerend, dus we moesten snel zijn voor een foto. De volgende dag besloten we een route te hiken door poema-gebied. Kans om die te zien: nihil. De guanaco-skeletten (al dan niet in andere staat van ontbinding) die overal verspreid lagen gaven de indicatie dat we op de juiste plek waren voor poema’s. Op de terugweg zagen we drie mensen met camera’s staan. De ene bleek een tracker, en op enige afstand zagen we een struik met twee, en later vier oren… Poema’s! Na een half uur stil wachten kwamen ze tevoorschijn, waardoor we ze goed konden zien en fotograferen. Nog een half uur later kwamen ze op 20 meter afstand langs. Zo mooi om het typische kattengedrag te zien; rampetampen op een graspol, kopjes geven, buiksluipen…. gewoon een grote Faro en Poesjka… Wat een ongelooflijk geluk! Dos pumas!

Inmiddels zijn we in El Chaltén, maar daarover een volgende keer. Nu eerst wat fotootjes.

Paddlin’ Coast

Dit is ons derde en laatste verslag over ons avontuur in Canada (in 2017). Lees optioneel het eerste of tweede verslag.

The Paddlers’ Inn

We zijn inmiddels weer thuis en het is tijd voor het derde en laatste deel van ons reisverslag. We waren gebleven bij een houten huisje op een drijvend vlonder in een baai van Gilford eiland, ongeveer twee uur varen van ‘beschaving’. Er was geen elektriciteit, maar wel gaslampen en een keurige badkamer en keukentje. Onze directe buren waren, naast de eigenaar, zeehonden, meeuwen en raven.
Op een eiland, waar je alleen bij hoogtij naartoe kon wandelen, had je een eersteklas uitzicht op de zonsondergang. Ook een prima plek om met je drone te vliegen, trouwens.

We verblijven in ‘The Paddlers’ Inn’, een plek waar je, zoals de naam al doet vermoeden, prima kunt varen en kajakken. Het is de enige manier om je hier te verplaatsen, tenzij je een watervliegtuig hebt. We hebben dus aan zee-kajakken gedaan en dat ging boven verwachting goed, alhoewel onze spieren daar anders over dachten. Het was ook erg leuk om te doen en het fijne weer hielp ook. We konden tussen de eilanden door peddelen, en vooral bij laag tij kon je langs de rotsen in het water ontzettend veel leven zien. Zee-egels, zee-slakken, krabben, vissen, mossels, anemonen, schelpen… Het leek alsof je door een aquarium voer.

We hebben ook op Gilford eiland gewandeld. Een bos als een filmset, waar beren en poema’s leven, en waarschijnlijk ook trollen. We mochten beren-spray lenen, maar we hebben ze niet gezien, want ze zijn erg schuw. Het bos is nog redelijk ongeschonden gelaten door blanken. Het eiland is moeilijk bereikbaar, en dat maakt het lastiger om de bomen massaal te verwijderen, zoals hier verder op veel plekken gebeurd. Ook de zalmkwekers zijn hier een probleem. De gekweekte zalmen zitten met hun uitwerpselen en infecties in precies hetzelfde water als de wilde zalm. De First Nations, de oorspronkelijke bewoners, zijn aan het protesteren tegen deze kwekerijen. Go First Nations!

Met één van deze first nations hebben we een toer gedaan door hun land. Eerst voeren we langs wat eilanden op zoek naar o.a. grizzlyberen aan de kust. We vonden een jong mannetje dat zich heerlijk tegoed deed aan het eerder beschreven zeebanket. Ook de zeearenden lieten zich zien. Daarna gingen we bij een rivier op zoek naar vissende grizzlyberen. Het is de tijd van de grote zalmtrek, dus de meeste beren zitten bij de rivieren. Vanuit onze uitkijkplaats hebben we gewacht, maar er kwam geen beer. Het is natuur en geen dierentuin…

Enigszins teleurgesteld gingen we naar een hut bij de rivier voor onze lunch, toen er toch nog twee grizzlyberen aankwamen. We slopen dichterbij zodat we ze wat beter konden zien. We konden rustig toekijken hoe een dikke grizzly een zalm tussen de rotsen wist uit te vissen.

De tweede helft van de dag gingen we op zoek naar zeedieren. Helaas hebben we geen orka’s gezien, maar wel veel zeeleeuwen, zeehonden en dall’s porpoise (soort dolfijn). Onze tocht eindigde met een glinsterend zilvergekeurde zee, waar we omringd waren door een tiental humpback-walvissen. Overal om je heen hoorde je het geluid van water wat uit de blaasgaten werd gespoten, met bijpassende waterfontein. Magisch!

Quadra eiland

Het tweede eiland waar we verbleven was Quadra eiland. Totaal anders, want erg ‘beschaafd’. We moesten wat meer moeite doen, maar vonden uiteindelijk weer een sprookjesbos. De lichte regen maakte het alleen maar mooier. De bomen, varens en mos glinsterden, bij de kabbelende beekjes met rotsen zagen we kikkers, slakken en salamanders. De kust is prachtig, met een stenenstrand en aangespoelde witte bomen. Na het strandjutten was het heerlijk toeven in de grote badkuip buiten, die een ongelooflijk mooi uitzicht bood op een baai met een smalle landtong waarop dennenbomen zeer decoratief stonden te zijn. Op de achtergrond een decor van hoge bergen.

Op Quadra hebben we ook een bezoek gebracht aan de Skookumchuck Narrows, waar door het getijde regelmatig een grote hoeveelheid water door een nauwe doorgang tussen twee eilanden wordt gestuwd. Dit levert kolkende golven op waarop de lokale zeeleeuwen graag spelen. Bijzonder: surfende zeeleeuwen.

Secret Cove

En toen was het al weer tijd voor onze laatste locatie, namelijk Secret Cove, bij Halfmoon Bay op de Sunshine Coast. (Wat een namen!) Officieel het vaste land, maar we moesten wel met 3 ponden varen om er te komen, dus er is wel een beetje een ‘eiland-sfeer’. Bij ons houten huis met hot tub lagen ook twee kajaks, dus we konden nog wat peddelen door de Secret Cove. Die is niet meer zo geheim, want er wonen ook andere mensen. Het kanoën is niet hetzelfde als in het noorden, maar nog steeds een leuk tijdverdrijf. Daarna met een heerlijke salade, zak met knoflook-honing worstjes en flesje wijn nog naar de Smugglers’ cove gewandeld, waar we konden dineren met zonsondergang en drone.

Als toetje zagen we net na zonsondergang nog bevers op de terugweg. Niet te lang gebleven, want het is toch spannend om door een donker bos te lopen als je weet dat daar beren en poema’s leven.

We sloten onze vakantie af zoals we hem waren begonnen: met een alpiene wandeling. Dit maal in Tetrahedron Provincial park. De drukte bij de Sunshine Coast is prima te ontwijken als je een beetje het land in gaat. We maakten weer dankbaar gebruik van onze 4×4 om via een ruige weg naar het beginpunt te gaan van een wandeling naar Bachelor Lake. De bladeren waren aan het verkleuren, dus we liepen door een rood-geel gekleurde ‘saladebar’ van bessenstruiken. (De beren en vogels gaan hier graag dineren.) Het meer was weer spectaculair, magisch en zeer fotogeniek. En die hot tub was zeer welkom na de tocht.

Overal waar we waren hadden we goed weer. Op de dag dat we naar een andere plek gingen werd het weer altijd slechter. Ook nu begon het op de dag van vertrek ineens flink te regenen. Nog een laatste korte wandeling door een stukje druipend regenwoud, en daarna 3 uur wachten in de auto op de pont naar Vancouver… Na een autorit, pont, autorit, vliegtuig, bus, hardloopwedstrijd, trein, vliegtuig en autorit waren we weer terug. Met een jetlag, een hoofd vol herinneringen en harddisk vol met foto’s.

Rockin’ Rockies

Dit is ons tweede verslag over ons avontuur in Canada. Lees ook verslag een en drie.

Ik schrijf dit in een houten huisje op een drijvend vlonder in een baai van Gilford Island. Dit ligt in de Broughton archipel ter hoogte van het noorden van Vancouver Island. We hebben eigenlijk geen internet en niet eens elektriciteit (we mogen het weer en onze mail checken bij de eigenaar en daar onze elektronische apparatuur opladen), dus dit verslag heeft even op zich laten wachten: onze tocht door de Rocky Mountains.

In Waterton heeft de bosbrand inmiddels ook gebouwen verbrand en is het vuur de prairie op. In het Nationale Park hadden we gehoopt veel wildlife te kunnen zien, maar momenteel is dat definitief van de baan. Wij zijn dus in plaats daarvan naar het noorden gegaan, naar Revelstoke, waar we een prachtige wandeling naar Eva Lake hebben gemaakt. De volgende dag reden we via Yoho National Park, de Icefields Parkway op richting Jasper. Dit mooiste stukje asfalt van Canada met enorme bergen, gletsjers en rivieren kostte ook nu weer veel pixels. Vlak voor Jasper staken twee dames-elanden de weg over om ons welkom te heten. Iets ten Noorden van Jasper hebben we een blokhut met uitzicht op de onwerkelijk blauwe rivier en wapiti-herten in de ‘voortuin’.

Jasper anno nu is druk. Helaas niet meer het idyllische kleine dorpje wat het ooit was. Meer mensen en minder dieren. Tja, ik neem aan dat die twee dingen verband houden. We besloten om een wandeling te maken naar Geraldine lakes. Die wandeling stond niet op de kaart, dus we hoopten dat het daar rustiger zou zijn. Prachtige woeste natuur is nog steeds te vinden rondom Jasper. Je moet er alleen iets meer moeite voor doen. De wandeling was erg zwaar omdat die grotendeels over steenlawines voerde, waardoor je eigenlijk altijd aan het klauteren en klimmen was en soms zelfs op handen en voeten vooruit moest. De pika’s en marmotten vonden ons maar vreemde knaagdieren. Langs wat kleinere watervallen omhoog naar een prachtige grote waterval en een meer. Bijna alleen op de wereld.

De volgende dag toch even gedag gezegd tegen de ons bekende plekken. Het was even wennen hoe alles veranderd is. De hellingen die eerst groen waren zijn nu groen met rood. Er staan veel dode bomen tussen. Aangevreten door een keversoort die indirect ook mede verantwoordelijk is voor de bosbranden. Dode bomen fikken beter. We schrokken ook van de aanblik van Medicine Lake. Daar is blijkbaar enkele jaren geleden een bosbrand geweest, en de helling staan nu bezaaid met afgebrande stompen in plaats van dennenbossen. Jasper lake was ook wat drukker, maar gelukkig stonden er nog steeds moeflons langs de weg te grazen.
Op weg naar Maligne lake kwamen we nog een grote eland-stier tegen die tussen de bomen stond. Wat zijn het toch magnifieke dieren. Bij Maligne lake nog enkele wandelingen gemaakt, variërend in lengte en hoogte. Het begon al wat donkerder te worden, en toen schoot er vlak voor ons ineens een mama-eland met kalf het pad op. We konden ze ruim een kwartier bekijken terwijl ze rustig aan het grasmaaien en snoeien waren. Als toetje nog wat herten bij de parkeerplaats. Je kunt uren door het bos lopen op zoek naar dieren, maar de beste plek blijft toch altijd binnen 200 meter van de parkeerplaats 😉

Van de Rockies naar de kust. De weg van Jasper naar Vancouver was lang. Je kunt merken dat de winter niet ver meer is: er lag een keurig vers laagje poedersneeuw op de bergtoppen. Tussen de bergen hingen decoratieve slierten mist. Weer eens wat anders dan rook. Met het weer hebben we trouwens geluk. Het gaat elke keer regenen op de plek die we verlaten. Via Mount Robson met de Yellowhead Highway richting Kamloops. Na een dag rijden waren we in Vancouver, waar we de volgende ochtend met de pont de Georgia Strait overstaken. In Telegraph Cove werden we met de boot opgehaald voor ons avontuur in de wateren rondom Vancouver Island, maar die zijn nog in volle gang, dus daarover later meer.

Dit is ons tweede verslag over ons avontuur in Danada. Lees ook verslag een en drie.

Smokin’ Canada

Alweer een week in Canada en tijd voor ons eerste verslag. Lees ook verslag twee en drie.

Momenteel zijn we in Revelstoke en vandaag hebben we onze eerste Grizzly van deze trip gezien. En ook de eerste natte sneeuw 🙂

Maar we begonnen een week geleden in Vancouver. Het was 30 graden en mooi weer, maar we zagen niets tijdens de landing, want een groot gedeelte van British Columbia is gehuld in rook. De ergste bosbranden ‘on record’. Er hing een rare sfeer, een beetje als bij een zonsverduistering. De zon was soms te zien door de rook, en was dan rood. Voordeel was wel dat je daardoor erg mooie zonsondergangen had.

De eerste etappe ging via Chilliwack naar Slocan, waar net buiten Manning park een grote truck een steen tegen onze voorruit waaide, en daar een flinke ster maakte. Dat begint goed. Er is nog prima mee te rijden, maar de ster zit precies voor Anke’s ogen. Irritant.

De eerste week zouden we doorbrengen in de west-Kootenays. Een gebied dat niet op de doorgaande route ligt. Ook de wandelingen in de natuurparken zijn moeilijk te bereiken. Dat is tevens ook de charme van het gebied. Er is geen massa-toerisme. Je hebt soms de hele wandeling voor jezelf. De prijs is een ruwe bergweg, die zelfs met onze dikke 4×4 erg spannend is. 

Tijdens onze eerste tocht naar Gimli Peak in Valhalla Provincial Park moest Anke regelmatig uitstappen om Koen door kuilen en steenhopen te gidsen. Boven op de berg aangekomen moesten de auto’s die ’s nacht zouden blijven staan, met kippengaas afgezet worden. Anders zouden de stekelvarkens de autobanden en remkabels opeten…

De tocht zelf was erg zwaar. Een hoogteverschil van 800 meter is voor onze Nederlandse benen een uitdaging. Ondanks de rook toch een prachtig uitzicht, en Koen had zijn drone meegenomen. De marmotten vonden het maar een rare vogel.

Daarna gingen we door naar ‘The gatehouse-on-the-point’ op Woodbury point, nabij Kaslo, waar we de rest van de week zijn gebleven. We werden erg vriendelijk ontvangen door de super lieve eigenaars. Het prachtige houten huis heeft uitzicht op Kootenay lake en een houten terras waar je direct aan het water zit. Perfect met een maple-whisky. 

De volgende dag kregen we het vervelende nieuws dat de bosbranden Waterton National Park hadden bereikt. Daar zouden we over drie dagen naar toe gaan… Het hele gebied moest geëvacueerd worden en onze boekingen waren geannuleerd… Gelukkig waren we er nog niet. We besloten iets langer in Kaslo te blijven en de bosbranden te ontwijken door naar Revelstoke National Park te gaan. 

Na een dag regen was de lucht enigszins opgeklaard, waardoor we voor het eerst sinds dagen weer blauwe lucht zagen! Een bezoek aan Idaho Peak gaf prachtige uitzichten. In het noorden is het nog steeds heiig van de rook, maar in het zuiden kon je gigantisch ver kijken. Helaas vinden Anke’s zwakke enkels die bergtochten niet zo fijn en is ze er al twee keer doorheen gezakt. Au. Op terugweg een bezoek gebracht aan Sandon, een voormalig zilvermijnstadje en nu een ghost-town. Er staat de oudste werkende electriciteitscentrale van Noord-Amerika en er wordt nog steeds zilver gevonden. Het lijkt wel een scene uit oude film over het wilde westen.

We wisselen een wandeling hoog in de bergen af met een wandeling door oude ceder- en redwood-bossen, lager op de bergen. In de bossen grote bomen -sommige enorm! – varens, watervallen en overal mos. In de rivier zwemmen knalrode Kokanee zalmen die overigens ook erg lekker zijn.

Op de bergen kleine dennenbomen, oude steenlawines, bergbeekjes, bessenstruiken en onze eerste zwarte beer in Kokanee Provincial Park. Helaas was ie te snel weg voor een foto. Wel hebben we veel foto’s van een varia aan knaagdieren. Onze nieuwe hobby: spot de marmot! Overal hoor je alarmerend gepiep van pica’s, marmotten, chipmunks, eekhoorns en grondeekhoorns. Er was zelfs een pica die naar Anke toe liep en op minder dan een meter afstand zeer geïnteresseerd stond te kijken wat ze aan het doen was met die zwarte doos.

De rust van de Kootenays staat in schril contrast met de drukte in Revelstoke, waar je de hele tijd andere mensen hoort, Nederlands de voertaal blijkt te zijn en je door de berenbellen het idee krijgt dat je in de Alpen tussen de koeien loopt. De Grizzly trok zich niets aan van die bellen. 

Ondanks tegenslag en nare gebeurtenissen gaan we morgen over de Icefiels Parkway richting het prachtige Jasper.

Dit is ons eerste verslag over ons avontuur in Canada. Lees ook verslag twee en drie.

Rondreis Namibië en Botswana [3/3]

Dit is ons derde en laatste verslag over ons avontuur in Afrika. Lees ook verslag een en twee.

Onze Toyota Landcruiser maakte al eerder wat rare geluiden, maar na een check bij een dealer werd ons verzekerd dat het in orde was. Twee weken in onze reis werden we echter aangesproken over het profiel van onze banden. Of beter gezegd het gebrek aan profiel! De voorbanden bleken voor de helft kaal! Gevaarlijk en onverantwoord, zeker in het terrein waar we zouden gaan rijden. Dat was het begin van onze tour door diverse garages. Onze maat banden waren nergens te vinden, dus moesten we de reservebanden erop laten zetten. Het uitlijnen kregen ze niet goed voor elkaar. Er gingen lampjes branden op de dashboard die niemand begreep. Eindeloos wachten in de hitte… This is Africa….

Uiteindelijk vonden we iemand in Katima Mulilo die onze auto kon maken, maar helaas betekende dat dat we niet op tijd bij de grens met Botswana zouden zijn, die om zes uur sluit (!) Helaas misten we dus de campsite in Chobe National Park die we een half jaar geleden hadden geboekt omdat dat de enige in het park was. Dat was balen!  

Ondanks de tegenslag toch nog genoten van ons kortere bezoek aan Chobe de volgende dag. Diverse soorten antilopen, giraffen, zebra’s, wrattenzwijnen, pelikanen, bavianen en zelfs een groep leeuwen met welpen! Er lagen hier en daar wat dramatische karkassen en schedels. De leeuwen hebben hier een duidelijke voorkeur voor buffel. Toch verstandig om in je auto te blijven, om geen meals on wheels te worden 😉 

Chobe staat bekend om zijn olifanten, maar ondanks dat we er veel hebben gezien waren het er minder dan gebruikelijk. Er hangt al een paar dagen een dreigende lucht met af en toe onweer en olifanten houden blijkbaar niet van regen.

De wegen in Botswana zijn in de parken veel slechter dan in Namibië. Erg fijn dus dat onze auto is uitgelijnd, maar geen fijn idee dat we nu geen reservebanden meer hadden.

Onze campsite was bij Senyati, waar ze een eigen waterbron hebben waar vooral in de middag en avond veel olifanten komen drinken. Vanaf een houten terras heb je de hele avond voorstelling. Helemaal fantastisch was de bunker. Een ruimte onder de grond waardoor je op grondhoogte heel dichtbij de olifanten kon komen. Je kon ze bijna aanraken. Wat een intense belevenis. Ook een complete kudde buffels kwam een drankje halen. In de avond bleef er een kleine olifant alleen achter. Vermoedelijk zonder moeder, want hij vertrok niet met de kudde. Iedereen was al gaan slapen en de kuddes waren vertrokken. Hij graasde rustig op twee meter afstand langs ons. Heel bijzondere ervaring.

Volgende stop was Nxai Pan, onderdeel van het Makgadikgadi Pans National park. Een enorme zoutpan, midden in Botswana, waar leeuwen, mongoose, de kori-bustard (de grootste vliegende vogel, de koritrap) en zelfs de bat-eared fox (grootoorvos) te zien was. Deze laatste ontmoeting was erg bijzonder, want ze zijn niet vaak te zien. Ook bijzonder waren de Baobab’s. Deze enorme dikke bomen slaan water op in hun bast, waardoor ze de enorme droogte kunnen doorstaan. Het zag er buitenaards uit, die rare bomen op een enorme vlakte van witte zoute aarde.

En toen was het tijd voor de Okavango: Moremi National Park. Alhoewel het de grootste concentratie van wildlife in het zuiden van Afrika heeft viel het wat dat betreft een beetje tegen. We waren inmiddels erg verwend en omdat Moremi zo groot is zijn er hele droge stukken waar je nauwelijks wildlife ziet. Er waren wel erg paradijselijke stukken; de Paradise pools bijvoorbeeld. Daar reed je ineens een groene wereld binnen. Water, groen gras, bomen, waterbokken die staan te drinken, aapjes die spelen op de grond en in de bomen, overal vreemde vogels en grazende impala’s. Ook de leeuwen vinden het idyllisch. Er lag een mannetjes-leeuw pal naast de weg bovenop een impala die hij zojuist gedood had. Een leeuwin had de grootste moeite met het verslepen van een grote impala. 

De wegen zijn ongelooflijk slecht. Zelfs met onze grote 4×4 kostte het ons vele schietgebedjes om door dit gebied te navigeren. Kuilen in de weg, bomen op de weg, soms zelfs door een rivier. Zandwegen waarop je in ieder geval niet moet stoppen, omdat je anders nooit meer weg komt. Als een soort half bestuurbare boot ploeg je door een rivier van zand.

Maar wat een overweldigende wilde natuur! Op ons kamp bij Third Bridge stond een enorme boom met peulen ter grootte van een mannen-bovenarm. Dat zag er buitenaards uit. Je moest oppassen dat de hyena’s en de bavianen niet je eten pikte, maar wij hadden vooral hornbill’s op onze campsite. Geweldige vogels met een grote snavel die zeer nieuwsgierig zijn. Het begon donker te worden, dus snel een soepie en een kampvuurtje gemaakt. Met onze rug naar de auto en het kampvuur voor ons, nog even nagenietend met een wijntje, klonk achter ons wat gekraak. Even later liep er op een paar meter afstand van ons een olifant kalmpjes door onze campsite… Wow.

De volgende ochtend reden we over een zandweg waar enorme pootafdrukken van een katachtige te zien waren. Er bleken twee mannetjes-leeuwen gesignaleerd te zijn in de omgeving. Als je dan moet plassen onderweg ga je toch maar dicht bij de auto zitten met je blik naar achteren ipv naar voren! 

Na een nacht in Maun, (douche, zacht bed, restaurant!) waar ook de woningen omheind waren met hoge muren en  nato-draad (!) namen we de trans-kalahari highway die ons terug naar Namibië bracht. De weg was lang en droog. Dat valt te verwachten van een woestijngebied. Helaas lag er ook veel troep langs de weg en een grote hoeveelheid dode koeien in diverse staat van ontbinding. Kleine zandtornado’s en zelfs een ‘bos’brand gaven toch een avontuurlijk tintje aan de rit.

Onze reis eindigde in de buurt van Gobabis, waar de Harnas Wildlife foundation wilde dieren opvangt. We kregen een privé-tour gedurende de ochtend waarbij de dieren gevoerd werden. Hierbij zagen we ook een paar ezels, die weliswaar vakkundig in stukken gehakt waren om als voer te dienen voor de leeuwen, luipaarden, cheetahs, wilde honden en zelfs een caracal. Onsmakelijk maar erg fascinerend.

Ze hebben ook een school voor de plaatselijke San-kinderen. Het voelde heel dubbel toen we daar rondgeleid werden en we als een soort Angelina en Brat begroet werden.

Nog wat struisvogels gevoerd en toen was het tijd voor onze laatste etappe terug naar Windhoek.

De ongelooflijk mooie landschappen, de vriendelijke mensen en de enorme hoeveelheid wildlife die we hebben mogen zien… wat een avontuur.

Dit was ons derde en laatste verslag over ons avontuur in Afrika. Lees ook verslag een en twee.

Rondreis Namibië en Botswana [2/3]

Deel twee van ons reisverslag. Lees ook deel een en deel drie.

We zijn inmiddels terug van ons avontuur, maar de internetverbindingen waren grotendeels afwezig, waardoor we niets meer konden posten. Jullie hebben nog wat verhaal te goed.

Na een overnachting in een luxe lodge net buiten Etosha was het tijd voor de Caprivi-strip. Dat is een smal stuk land boven Botswana dat nog bij Namibië hoort. Het heeft veel geleden van de oorlog in Angola  en inderdaad lijkt het of je ineens een derde wereld land binnen rijdt. Veel kleine dorpjes met bouwsels van hout en modder. Overal koeien, ezels en geiten en veel kinderen en vrouwen die water op hun hoofd droegen. Daar dwars doorheen lag een keurige geasfalteerde weg. Het voelde heel raar om daar overheen te rijden met je dikke auto. We werden toegezwaaid door kinderen met een koptelefoon op. Die hebben dan een telefoon, maar geen fatsoenlijke kleren of woning. Lang leve de westerse invloeden…

Het was al warm, maar inmiddels steeg de temperatuur elke dag naar meer dan 40 graden. We reden malaria-gebied binnen dus begonnen we met onze pillenkuur. De bijwerkingen vielen gelukkig mee. We overnachtten aan de Okavango-rivier, dus we waren grootverbruikers van Deet. Met al dat water zie je ineens allemaal groen en tropische bloemen en planten. In de rivier krokodillen en nijlpaarden. In de bomen aapjes en vreemde vogels. Totaal anders dan de droge woestijn en kale bomen van het gebied waar we vandaan kwamen.

De volgende stop was de Mashi Conservacy, een prachtig natuurgebied aan de Kwando rivier, waar we onze tent konden opzetten naast hutjes van hout en leem, waar dan ons toilet en zelfs een soort ‘keukentje’ in gebouwd waren. In de rivier naast de campsite lagen de nijlpaarden in het water. ’s nachts dus uitkijken als je naar de wc gaat, want dan komen ze aan land, vlak naast je campsite. Je wilt niet tegen een nijlpaard aanlopen! Nijlpaarden zijn gevaarlijker dan leeuwen. Die vonden we niet in ons kamp, maar helaas wel de onschuldige, maar zeer enge ‘wind-scorpion/sun-spider/solifugae’. Een soort mutant van een spin en schorpioen….Brrrr.

Bij de eigenaar, een Engelsman die daar is gaan wonen, boekten we een boottour om de dieren te bekijken vanaf de rivier. Wat een fantastische tocht was dat! Overal olifanten die kwamen drinken en een bad nemen, krokodillen, nijlpaarden, varanen(!), kuddes buffels en impala, sitatunga en diverse andere antilopen, visarenden, goliath-reigers die anderhalve meter hoog zijn… Wat een paradijs! De zon ging onder en we voelden ons alsof we in een National Geographic documentaire terecht waren gekomen. Sir David kon elk moment zijn commentaar leveren op het prachtige schouwspel!

De volgende ochtend maakten we nog een wandeling met de camping-eigenaar, door de omgeving. We leerden veel over sporen, bomen, de cultuur en poep! Het ligt overal vol met olifantenpoep (houdt muggen weg als je het verbrand, maar dat hebben we niet uitgeprobeerd 😉 en dat zijn keutels ter grote van een kleine voetbal. De laatste ochtend maakten we nog een boottocht over de Kwando, waarbij we door een jonge man werden begeleid die daar is geboren en opgegroeid. Het voegt echt iets toe door de verhalen aan te horen van iemand die daar ook daadwerkelijk thuis is.

De Kwando wordt later de Zambezi, die bij Livingstone met veel geraas veranderd in de Victoria Watervallen. Zo dicht bij één van de zeven wereldwonderen besloten we een uitstapje naar Zimbabwe te maken. Het duurt eindeloos voor alle papierwerk is geregeld en je de juiste stempels en visa hebt, en bovendien is het duur en toeristisch, maar het was een prachtige omgeving. Het was het droge seizoen, waardoor de helft van de watervallen droog stonden, maar niettemin een bijzondere plek. Groene bomen, lianen, aapjes, wrattenzwijnen, vogels en een regelmatige douche die bijzonder welkom was bij 45 graden. Indrukwekkend!

Daarna was het tijd voor het avontuur ‘Botswana’. Daarover later meer. Nu eerst wat fotootjes… 

Dit was deel twee van ons reisverslag. Lees ook deel een en deel drie.

Rondreis Namibië en Botswana [1/3]

Ons eerste verslag van onze reis door Namibië en Botswana. Lees ook het tweede en het derde verslag.

We zitten nu in een lodge net buiten Etosha National Park, en we hebben nu een internetverbinding. Hierna verdwijnen we weer een week in de bush, dus het zal even duren voor ons volgende verslag.

Onze reis begon via Windhoek naar de Sossusvlei, een gebied met ongelooflijk mooie zandduinen, midden in de Namib woestijn. Zand en wind! De eerste nacht hadden we een zandstorm, waardoor alles gezandstraald werd. De volgende ochtend lag er een glinsterend laagje over alles. Ons incluis. Rijden door de woestijn is een bijzondere ervaring. Lange leve de airco in de auto!

Na de Sossusvlei via Namib-Naukluft National Park naar Cape Cross aan de kust. We hadden zowaar 3 drupjes Namibische regen, terwijl het hier de afgelopen 6 jaar nauwelijks is gevallen. Aan de kust ligt een kolonie van 100.000 zeehonden. Je kon via een plankier gewoon tussen de zeehonden doorwandelen en de soap bekijken van ‘dit is mijn plekje, ga weg’. Er waren ook jakhalzen die ervandoor gingen met zeehondenbaby’s… mooi, die natuur.

Via de Spitzkoppe, een berg van granieten klodders met mooie rotsformaties door Damaraland richting Palmwag. Daar werden we s’nachts wakker van diep gebrom en gehuil. Ook hoorden we duidelijk geknaag. Je kon via de audio een kompleet verhaal horen. Achteraf bleek dat er dicht in de buurt van onze tent een leeuw een prooi had gevangen. Er was een groep hyena’s die probeerde ook iets van de prooi te eten, maar de leeuwen vonden dat geen goed idee. Vooral het geknaag op de botten klonk door merg en been 😉 Het geluid ging nog lang door en was bijzonder spannend.

Daarna een bezoek aan de Cheetah-guest-farm, die cheetah’s opvangt. Daar konden we niet alleen cheetah’s van dichtbij zien, maar zelfs achter de oren kroelen. Ook cheetah’s kunnen spinnen en snorren 🙂 Toen was het tijd voor het prachtige Etosha National Park. Niets kan je voorbereiden op de enorme hoeveelheid dieren die je hier ziet. Zebra’s, giraffen, leeuwen, struisvogels, gemsbok, springbok, oryx, gnoe’s, olifanten, hyena’s en zelfs zwarte neushoorns! En nog veel meer soorten. Het is erg droog, dus momenteel komen de dieren naar de waterplekken toe. Er was een moment dat we omgeven waren door meer dan duizend dieren. Absurde ervaring. Er is overigens een duidelijke waterplek-volgorde: De leeuw of de olifant is de baas. Als die klaar zijn is de oryx aan de beurt. Laag in de rangorde staan de zebra’s en de springbokken. Die staan dan eindeloos te wachten tot de leeuwen weg zijn. Dit zorgt voor een file van honderden dieren die staan te wachten. Onderwijl wordt er gevochten voor plekjes.

Na en kort verblijf in onze luxe lodge maken we ons weer klaar voor een week in de bush, met meestal weinig voorzieningen. Meestal wel een waterkraan, en soms een toilet en iets wat voor een douche moet doorgaan. Soms elektriciteit, maar zeker geen telefoon of internetverbinding. Kamp opzetten gaat inmiddels redelijk geroutineerd en zittend bij het kampvuur met de enorme Namibische sterrenhemel boven ons voelen we ons bevoorrecht.

Lees ook het tweede en het derde verslag van onze rondreis door Namibië en Botswana.

Nebrodi en de Etna

Dit verslag bestaat uit meerdere delen:
1. Vier-gangen-menu: Eolische eilanden
2. Silly Sicily
3. Nebrodi en de Etna (u bevindt zich hier)

Inmiddels zijn we net terug van vakantie. Hier het verslag van onze laatste week Sicilië.

Aan de Tyrreense zee in het noorden van Sicilië ligt het Parco Regionale dei Nebrodi, een groot natuurpark vol bomen, bergen en pittoreske dorpjes. Hier wonen ook wilde varkens, wilde paarden, gieren en andere roofvogels, dus voor ons een kans om iets anders te fotograferen dan straatkatten en vreemde insecten. Een wandeling naar de Roche del Crasto moest kans geven op gieren, dus wij op pad in de overigens nog steeds brandende zon. We hebben al 2 weken prachtig weer: zon en gemiddeld 25 graden! De prachtige tocht de berg op werd muzikaal omlijst door een constant klokkenspel: niet alleen de koeien dragen hier bellen, maar ook de schapen, geiten en zelfs de paarden! Er hingen zeer fotogenieke wolken in de vallei, en er waren gieren, alhoewel redelijk ver weg. Daarom besloten we nog om naar Alcari il Fusi te rijden, naar de Area del Grifone. Die uiteraard gesloten was, maar waar we konden parkeren een paar uur aan gier-spotten konden doen. Het zijn enorme lammergieren die keurig voor de rotsen langs vlogen.

Daarna was het tijd voor weer een vulkaan, en in dit geval de Etna: de grootste actieve Europese vulkaan. We hadden 4 dagen de beschikking over een sfeervol houten berghuisje hoog op de Etna zelf. In de avond was het redelijk koud op de berg, dus na de wandelingen was het haardvuurtje zeer welkom.

De Etna barst nog regelmatig uit; de laatste keer in mei van dit jaar. Geen kolkende lava hier momenteel, maar wel enorme verse kraters met vulkaanas en fumarolen. Je kunt hier alleen met een gids rondlopen, en wij werden in een groepje naar een krater geleid die in 2002 is ontstaan. Uiteraard kostte ons dat veel foto-pixels 🙂 De lucht op bijna 3 kilometer hoogte is erg ijl. Duizelingwekkend.

We hadden de smaak te pakken en besloten nog een berg (een grote pukkel op de Etna) op te klauteren naar de Monte Zoccolaro, waar we een uitzicht hadden op een enorme oude ingestorte krater (voorganger van de Etna) in de Valle Del Bove. Een ruimte zo groot als een stad, waar niks groeit en leeft. Alleen een enorme laag van lava, die nog regelmatig wordt aangevuld.

Ook een wandeling op de noordflank, rond de Monti Sartorius was prachtig. Daar groeit een berkensoort die alleen op de Etna voorkomt. De witte bast en de gele blaadjes contrasteerden mooi met de ondergrond van zwart puimsteen-grind.

Als laatste culturele uitstapje besloten we nog naar Piazza Armerina te rijden. Hier zijn de best bewaard gebleven Romeinse mozaïeken te zien in de Villa Romana del Casale. Het was zowaar open! Zo knap hoe gedetailleerd de voorstellingen zijn, gezien het feit dat de ‘pixels’ toch tamelijk groot zijn: ze bestaan uit steentjes van 5 x 5 mm. Er zijn voorstellingen van dieren, vissers, dansende mensen, jachttaferelen in Noord-Afrika, met olifanten en tijgers, en zelfs sportende dames in kleding die wij tegenwoordig een bikini zouden noemen. De boel is in de 12e eeuw bedolven tijdens een aardverschuiving, en daarom zijn ze zo bijzonder goed bewaard gebleven. Pas in de jaren 50 van de vorige eeuw zijn ze weer opgegraven.

Na 3 weken zon heeft de herfst ons toch nog ingehaald. Op de dag van vertrek hadden we veel regen. Het water kan niet echt makkelijk de grond in door al die gestolde lava, dus de afwatering bestond uit de zwaartekracht en de weg van de minste weerstand, wat dus de autoweg was. We reden dus door een soort rivier de Etna af op weg naar Catania. Het water stond erg hoog, en het spatte enkele meters hoog van de auto’s af. Onderweg onze boot nog even geparkeerd in Nicolosi voor het regenprogramma: het vulkanologisch museum. Hier kregen we een rondleiding in een soort van Engels over het ontstaan van de Etna, en konden we een film kijken over de grote uitbarsting van 2002. Interessant waren de monitoren waarop we life mee konden kijken met de vulkanologen die de Etna en de Stromboli in de gaten houden. En zo eindigen we de vakantie zoals we hem begonnen waren: met een ‘boottocht’ en een vulkaan.

Dit verslag bestaat uit meerdere delen:
1. Vier-gangen-menu: Eolische eilanden
2. Silly Sicily
3. Nebrodi en de Etna (u bevindt zich hier)

Silly Sicily

Dit verslag bestaat uit meerdere delen:
1. Vier-gangen-menu: Eolische eilanden
2. Silly Sicily (u bevindt zich hier)
3. Nebrodi en de Etna

Vanuit de Eolische eilanden voelt Sicilië als het vasteland, maar uiteraard is het ook een eiland. Het is zo groot dat je niet het gevoel hebt op een eiland te zitten. Na de rust van de eerste week is het even wennen aan de drukte.

Onze route gaat tegen de klok in en na het ophalen van onze huurauto, begonnen we rechtsonder in Syracuse. Een sfeervolle stad vol zandkleurige huizen in smalle straatjes waar je met klamme handen en ingehouden adem in je dikke Opel Insigna doorheen kunt rijden. Snel parkeren aan de rand en te voet verder.

In Syracuse begon een nieuw thema voor onze vakantie: ‘Chiuso’ dwz: gesloten. In het archeologische park bij Syracuse waren de meeste locaties gesloten. Het hele eiland ligt stil tussen ongeveer 12.30 en 17.00 uur. Musea, tempels en winkels gesloten… Zelfs een natuurpark was gesloten (!) vanwege de wind. Het is hier prachtig, maar het is erg moeilijk om er iets van te zien.

Met wat moeite hebben we toch prachtige dingen gezien:

De joodse wijk van Syracuse, vol smalle straatjes, straatkatten, wasgoed, en oude verschrompelde Italiaanse vrouwen of gesjeesde jongemannen met foute zonnebrillen. Hier was een kathedraal gebouwd op de plek waar vroeger een tempel stond.

Het Griekse amphi-theater waar Aeschylus (oude Griekse toneelschrijver) nog naar uitvoeringen van zijn eigen werk heeft gekeken. Het Teatro Greco is één van de grootste van de antieke wereld.

De grootste dodenstad van Europa: Necropoli de Pantalica, waar in de kalkrotsen 5000 ‘graf-gaten’ zijn uitgehakt en waar je kunt wandelen over, naast, tussen, onder en in de rotsen, tussen de bloemen en langs een idyllisch riviertje met watervalletjes. Dit onder een heerlijke zon met 28 graden.

Prachtige Griekse tempels in Agrigento, waarvan enkele nog keurig overeind staan, alhoewel ze 500 voor christus gebouwd zijn.

Een enorme Arabisch-Normandisch-Romaanse kathedraal in Monreale, vol met een goudkleurig bijbels stripverhaal van mozaïek, die ook voor ongelovigen een goddelijke uitstraling heeft.

Eeuwenoude hulstbomen van 15 meter hoog en hele oude beuken en donseiken in een bos wat goed had gepast in de Efteling of zelfs in The Lord of the Rings. Kronkelige bomen, kalkrotsen en mos. Overal staan kleine antieke fiat panda’s (4×4!) langs de weg: Het natuurpark Madonie is momenteel een grote self-service-supermarkt van paddestoelen, kastanjes, olijven en fruit. Het wordt de Siciliaanse Alpen genoemd en je kunt hier heerlijk door de bergen wandelen.

Sicilië is een eiland vol tegenstrijdigheden. Enerzijds is er prachtige natuur, maar er ligt overal veel afval. De Sicilianen zijn erg gastvrij en we krijgen bij veel van de overnachtingsplek iets lekkers: druiven, wijn, perziken uit de tuin of zelfs versgebakken glutenvrij brood. Als chauffeurs zijn ze echter de meest lompe, a-sociale en suïcidale mensen, waardoor rijden hier bijzonder stressvol is.

Ook hebben ze hier nog nooit gehoord van dierenbescherming en worden straatkatten en -honden erg slecht behandeld. Met name de 3 kittens die we aantroffen bij ons vakantiehuis in de Madonie, (moeder overleden, geen mensen of andere katten in de buurt, alleen honden(!) en een winter voor de deur, een zekere dood tegemoet…) is ons niet in de koude kleren gaan zitten. We hebben ze eten gegeven, en ze kwamen gezellig met z’n drieën op de bank en op Koen’s koffer liggen. Ze waren bang, maar lieten zich na een paar dagen aaien… We hebben een dag besteed met bellen naar instanties, bezoekjes aan politiebureau’s, mailtjes sturen, bezoeken aan dierenartsen die allemaal gesloten waren, waarna we moesten concluderen dat we niets voor ze konden doen. Het werpt momenteel een beetje en schaduw over onze vakantie, maar met wat prachtige natuurparken voor de boeg (waaronder de Etna) en nog steeds stralende zon gaat het ons vast wel lukken om daar overheen te komen! De Wifi-verbindingen zijn hier erg slecht, dus dit verslag heeft even op zich laten wachten…

Dit verslag bestaat uit meerdere delen:
1. Vier-gangen-menu: Eolische eilanden
2. Silly Sicily (u bevindt zich hier)
3. Nebrodi en de Etna

Vier-gangen-menu: Eolische eilanden

Dit verslag bestaat uit meerdere delen:
1. Vier-gangen-menu: Eolische eilanden (u bevindt zich hier)
2. Silly Sicily
3. Nebrodi en de Etna

Het eerste reisverslag van onze reis door Sicilië en de Eolische eilanden heeft even op zich laten wachten. Wifi in Italië is wisselvallig…

Onze reis ging via Catania en Milazzo als eerste met een draagvleugelboot naar de Eolische eilanden, een groep vulkanische eilanden ten noorden van Sicilië.

We begonnen op Vulcano, waar we meteen onze eerste vulkaan konden beklimmen. Niet echt hoog, maar met een prachtige kraterrand met wat gele zwavelvelden en fotogenieke fumarolen die een stinkende mist verspreiden. Een perfect voorgerecht wat betreft ons vulkanische viergangenmenu. Vulcano heeft een relaxte eilandensfeer, dus we konden meteen aan een rustiger tempo wennen. Bustijden zijn een richtlijn, openingstijden een optie en verkeersregels een suggestie. Wegen zijn gangetjes van anderhalve meter breed, waardoor men hier vooral in driewielers en scooters rijd. Maar er zijn ook maniakale buschauffeurs die met een ruimte van 5 centimeter links en rechts met een minibus met een rotgang door zo’n gangetje karren.

Onze tweede gang was Lipari, zeg maar het hoofdgerecht. Het grootste eiland had een citadel met musea waar we wat konden zien van de geschiedenis van de eilanden. Met name Griekse vazen met schaars geklede voorstellingen en veel obsidiaan-werktuigen. Van dit vulkanische glas kun je prima snijwerktuigen maken. Hier vond Anke ook haar thema van deze vakantie: straatkatten van Sicilië. Overal lopen katten rond. We besloten wat eigen vervoer te proberen en zijn daarna met een Citroën Mehari, een soort grote rode skelter, het eiland rond getoerd. Een wandeling langs een puimsteen-vallei was erg mooi. Overal zijn sporen van vulkanisme, maar Lipari is een oudere vulkaan, dus geen vuur en rook hier.

Qua wildlife zoeken we het hier wat kleiner. Geen beren, maar wel veel hagedissen, grote kevers, hagedissen, bidsprinkhanen (!), hagedissen, gekko’s en hagedissen.

De derde gang was in ieder geval de Primo. De Stromboli. Een piepklein eiland, wat eigenlijk alleen bestaat uit een actieve vulkaan met een klein dorpje aan de voet daarvan. Ondanks weinig slaap, en een slaapverwekkende anti-zeeziektepil besloten om dezelfde dag nog de vulkaan op te gaan. Het is een tocht van 6 uur met een hoogte verschil van 900 meter. Voor onze Nederlandse benen een uitdaging. Anke dacht eigenlijk dat ze het niet zou halen, maar dus toch maar geboekt (bij Magmatrek). Helm en wandelstokken gehuurd, liters water in de rugzak, en met een groep van 20 mensen de berg op. Drie uur bergopwaarts. Om de 30 minuten even een paar minuten pauze. Verstand op nul en doorzettingsvermogen op tien. Op 500 meter hoogte was een punt waar je moest kiezen. Terug of de tocht afmaken. We besloten door te strompelen. Precies volgens planning waren we met zonsondergang op de top. Onze gids bracht ons naar een plek waar we de Zuidwest krater konden zien; de jongste krater die enkele jaren geleden is ontstaan. Helaas was de vulkaan erg nat, waardoor er erg veel stoom was. Dat zorgde ervoor dat we de rode gloed en het magma-vuurwerk minder goed konden zien. We hadden wel regelmatig een regen van vulkanisch zand. Gelukkig waaide de stoom even weg, en kregen we keurig twee uitbarstingen te zien. Indrukwekkend om op een actieve vulkaan te lopen en neer te kijken op een krater.

De terugweg was over een steile helling van ‘kattenbakvulling’. Grof zand waarin je bij elke pas naar beneden gleed. Dat ging lekker snel, maar de zaklamp van Koen liet het afweten, dus hij moest in het pikkedonker achter Anke aan glijden. Er kon niet gestopt worden wegens steenlawine-gevaar. Anke’s bergschoenen waren inmiddels ook overleden, maar het was een heldere nacht, dus het was een bijzondere afdaling met blik op de melkweg.

Als dessert zaten we nog een paar dagen op Salina. Salina is ook een oudere vulkaan: groen en staat vol bougainville, enorme hibiscus, citroenbomen, reuze-oleanders, datura, bananenplanten, joekels van cactussen, granaatappelbomen en… jasmijn. De zoete geur is overweldigend! Na onze avonturen op de Stromboli was elke wandeling hier een eitje. Op Salina ook genoten van het heerlijke eten hier; kaasjes, vis, kappertjes, druiven, enorme perziken, noten, plaatselijke wijn en pistache-likeur – hik.

Inmiddels rijden we al op Sicilië rond, maar daarover later meer. Nu eerst wat foto’s.

Dit verslag bestaat uit meerdere delen:
1. Vier-gangen-menu: Eolische eilanden (u bevindt zich hier)
2. Silly Sicily
3. Nebrodi en de Etna