Hokkaidabout!

We hadden een dag met ononderbroken plensbui als staart van een tyfoon. Maar verder is het weer hier overwegend prima. 21 graden en zon!

Hokkaido is momenteel getooid in prachtige herfstkleuren, van diverse tinten rood en oranje tot goudgeel. Heel mooi, maar het trekt ook veel bejaarde Japanners aan, die in bussen rondtrekken. Iedereen wordt hier heel erg bang gemaakt voor beren, waardoor men hier rond loopt met een berenbel; een bel die aan je rugzak hangt die constant klingelt – ontzettend irritant. Het idee is dat een beer je hoort aankomen, waardoor die de benen neemt. Het lastige is dat je, als je wilt wandelen, je je dus eerst een weg moet banen langs diverse geriatrische klokkenspelen, voor je het idee hebt dat je in de natuur bent.

Hokkaido heeft prachtige natuur, maar ze maken het dus vaak moeilijk om ervan te genieten. Er zit natuurlijk wel wat in om mensen en natuur gescheiden te houden, want dat is uiteraard beter voor de natuur, maar het is daardoor ook lastiger om hier een ‘natuur-ervaring’ te krijgen. Japan is soms een beetje over-georganiseerd, en ook qua natuur houden ze alles graag in de hand, met korte overzichtelijke wandelpaden (die druk zijn), duidelijke bordjes in het vloeiend Japans, en veel beleefdheids-etiquette als je mensen wilt inhalen op de smalle paden. Niet precies waar wij op uit zijn. Het vraagt dus enig geduld en doorzettingsvermogen, maar dan wordt je wel beloond met prachtige natuurparken, bergen, meren, rivieren, fumarolen en vulkanen. En die herfst, die heeft er zin in!

Het eiland lijkt op een grote manta-rog, en we begonnen in de staart, bij Hakodate.
Eerste stop was Shikotsu-Toya National Park. Je ziet hier overal vulkaanactiviteit. In de vorm van hele oude kratermeren of kokende modder en fumarolen die uit zeer actieve vulkanen omhoog blazen. Of in de vorm van een stadje dat half door de modder is bedekt na een uitbarsting. Erg vervelend als er ineens een aantal vulkanen in je dorp naar boven komen. Toya-ko is dus gedeeltelijk een ghost-town. Je kunt daar tussen de opengebroken wegen, begroeide snelwegen en lege gebouwen wandelen op keurige paden met bloembakken ernaast. Een vreemd maar intrigerend soort ramp-toerisme.Vanwege de regen zijn we daarna meteen doorgereden naar Daisetsuzan National Park, een prachtig groot park met hoge bergen midden op Hokkaido. Blue pond is een helder blauw meer, dat is ontstaan door grondwerk, wat veel aluminium uit de bodem los maakte. Het meer staat vol dode bomen en is door zijn blauwe kleur erg fotogeniek.

Een wandeling naar de Ansei-krater was spannend, omdat je tussen de fumarolen door liep en het pad niet echt duidelijk was. De pika’s (hamster-achtige diertjes) vonden het geen goed idee dat wij er waren en maakten dat verbaal heel duidelijk met luid gepiep. Toen het ineens heel mistig werd, besloten we toch maar terug te gaan. Je wilt niet per ongeluk in een kokende stoomwolk terecht komen. Toch spannend om op een actieve vulkaan rond te lopen!

Ze hebben hier ook prachtig moerassig veengebied. Planten met enorme bladeren, veel berken, paddestoelen, kleine dennenboompjes en af en toe een wasabi-kleurig vennetje. Daarna zochten we het hoger op. We konden met een kabelbaan een gedeelte de Asahidake op. Verder naar boven wandelend waren er mooie kratermeertjes, rotsen, fumarolen en zelfs hier en daar wat sneeuw.
Tenninkyo en Sounkyo liggen in een vallei waar de wanden bijzondere rotsvormen hebben. Overal mooie watervallen en eerder genoemd herfstkleuren-festijn.

Voor de Kogen-numa Meguri wandeling (alles klinkt hier al snel als een soort sushi) bij Bear mountain moesten we om 5 uur de wekker zetten. Je kon daar alleen komen met een bus die over een hobbelende onverharde weg de bergen in slingerde en stuiterde. Daar aangekomen moesten we een informatieve video bekijken, die je wees op alle gevaren van wandelen in bruine-beren-gebied. De meeste mensen hebben zowel een berenbel als een telelens bij zich. Iedereen komt om beren te zien, maar jaagt ze tegelijkertijd weg met de herrie…
Ook hier weer prachtige meren. De meeste mensen keerden halverwege om, maar je kon ook een ronde hiken, weliswaar over een veel minder begaanbaar pad. Je moest wat stroompjes oversteken en over rotsen klauteren. Geen beer gezien (en wij lopen zonder bel), maar het landschap was fantastisch mooi en wild. Met flinke spierpijn en een kaartje vol foto’s voldaan weer bij de camper aangekomen.

Wat betreft het kamperen in Japan: er zijn weinig campings, en als ze er zijn is het vaak alleen voor tenten, of zijn ze gesloten in deze periode. Ze hebben hier wel Michi-no-eki, wat ‘wegstations’ zijn waar je gratis kunt parkeren en overnachten op een parkeerplaats. Er is altijd een openbaar toilet en soms een winkel met souvenirs en plaatselijke producten. Niet de meest sfeervolle plekken maar wel praktisch. Het is verder erg onhandig dat je nergens je afval kwijt kunt. Je wordt verwacht het mee naar huis te nemen… Euh… Ook kun je je er niet wassen, maar gelukkig kennen ze in Japan ook ‘Onsen’! Door alle vulkanische activiteit komt er op veel plekken heet water naar boven wat opgevangen wordt in baden waar je voor een kleine vergoeding in kunt gaan zitten. Mannetjes en vrouwtjes gescheiden. Eerst op een krukje jezelf wassen, en dan heerlijk in het hete water zitten. Vooral erg fijn na een flinke wandeling. En in de camper wacht dan een Japanse whisky. Best uit te houden.

In veel bossen hier is het opvallend stil. Je hoort en ziet weinig vogels. Er zijn vooral libellen, raven en roofvogels. Die libellen zie je wel in enorme zwermen (het is paartijd) en die raven zijn joekels en zitten altijd erg fotogeniek op paaltjes en takken. Toch hebben we met wat moeite inmiddels ook Sika herten, vossen, pika’s, eekhoorns, grondeekhoorns en 2 slangen gezien.

We hadden dus behoefte aan wat meer wildlife. Die hoopten we te vinden in Shiretoko National Park. Dit park ligt in het noord-oosten van Hokkaido, op een schiereiland pal onder Rusland. We reden eerst door landbouwgebied. Volgens ons komen alle uien ter wereld uit dit gedeelte van Japan. Hokkaido heeft een ander landschap dan de rest van Japan, want het hoorde bij de ‘Russische aardplaat’ en je ziet hier minder rijstvelden, maar des te meer uien, aardappels en pompoenen. Op Shiretoko ontmoeten de bergen de zee, en dat geeft altijd mooie landschappen en zonsondergangen. En vis!

We besloten wat boottochten te maken; de eerste vanuit Utoro aan de west-kant. Prachtige kliffen, watervallen, rotsachtige eilandjes met aalscholvers en meeuwen en jawel, beren! De zalmtrek is begonnen, dus op de plaats waar de rivier en de zee samen komen, zie je soms beren op zalmen vissen. We konden zelfs anderhalf uur genieten van een moeder beer en haar puber die samen door de rivier sprongen om vis te vangen. Wat een prachtige beesten! Ook de zee-arenden houden van zalm. Je krijgt wel honger van al die activiteit, dus zelf ook maar een moot in de pan gegooid toen we weer terug waren bij de camper. Wel goed om je heen kijken op z’n tijd of er geen ongenode gasten op je kampeerplek af komen…

Dit smaakt naar meer, maar nu eerst wat foto’s (van zowel Anke als Koen)

Tokyo, I’m on my way!

…and in my old Toyota it is not so far away.
Op reis door Japan! Via Narita-airport zijn we meteen met jetlag het centrum van Tokyo in gegaan. Daar vonden we een fantastische Japanse uitvinding: koude koffie uit een frisdrankautomaat. Die vind je hier overal, zelfs op de meest afgelegen en onlogische plekken. Smaakt verassend goed. Het Imperial palace was gesloten, maar de tuinen waren grotendeels wel open. Een gedeelte was gesloten in verband met de tyfoon die onlangs overwaaide.
Onze kamer in het hotel bij Ueno-koen (koen betekent hier park) lag op de bovenste verdieping, vanwaar we een prachtig uitzicht hadden over Tokyo en het park met een grote vijver vol lotusbladeren. De kamer was erg klein. Je kon je kont niet keren, maar wel met warm water afspoelen nadat je het toilet had gebruikt. Nog een fantastische Japanse uitvinding: toilet-deluxe: verwarmde bril, muziekje, sproeiers om alles schoon te spoelen in diverse soorten (uiteraard met keuze in zachte of harde straal), en zelfs een privacy-knop die spoelgeluiden laat horen zodat niemand je hoort plassen.

Een dag later was het tijd voor een wandeling door een oud stukje Tokyo, de wijk Yanesen, die langs kleine huisjes, begraafplaatsen, badhuizen en tempels liep. Nog wat cultuur gesnoven in de vorm van porselein, samoerai harnassen, kimono’s en kalligrafie in het Nationaal Museum, waar het ook heerlijk koel was. Buiten was het ruim 30 graden en heel klam. In het zakencentrum van Tokyo vooral dure winkels, maar tussen de flats staan veel kleine tempels en huizen, wat er bijzonder uit ziet. De Senso-Ji tempel was een complex van meerdere tempels waar je voorspellingen en geluksamuletten kon kopen, en waar vrouwen kimono’s huurden om op de foto te gaan. Er was een mooie pagode en er stonden diverse goden en boeddha’s.

Na drie dagen Tokyo was het tijd om onze camper – ja, een Toyota – op te halen voor onze road-trip. Het is een ouder model, dus er zijn wat ouderdomsverschijnselen en eigenaardigheden, net als bij ons ;-), maar we McGyveren ons er prima doorheen.
Er zijn hier hele dure tolwegen (dagje rijden voor 75 euro), dus we rijden vooral over hele smalle weggetjes tussen de dorpen en rijstvelden door. Je kunt 40 of 50 kilometer per uur rijden, dus het gaat langzaam.

De eerste stop na Tokyo was Nikko, een grote verzameling tempels en mausoleums in een natuurpark van prachtige ceders, rotsen en mos. Het is een druk bezochte World Heritage site, dus we waren er vroeg, zodat we nog in enige rust konden kijken, voor de schoolklassen werden losgelaten. Prachtig en indrukwekkend, enorme tempels met goudwerk, rood lakwerk en houtsnijwerk in prachtige kleuren en vormen. Prachtige beelden, stenen ‘lantaarns’ met mos en ook hier weer een grote pagode. De geur van wierook en ceders gaf een mystiek sfeertje.
Daarna was het tijd voor onze eerste Onsen, een openbaar badhuis met baden die verwarmd worden door vulkanische activiteit. Met gratis geur van rotte eieren. Wel heerlijk warm en ontspannend.

Een lange rit dwars door het noorden van Honshu was vermoeiend, maar het was leuk om iets mee te krijgen van hoe ‘gewone’ Japanners leven. Boeren die in de rijstvelden staan te werken. Huizen met prachtige daken en kleine tempeltjes ernaast. Kleine vierkante autootjes die eruit zien alsof ze door een kind zijn getekend. Veel oude mensen, die vreemd genoeg vaak erg krom lopen. Misschien komt dat door het vele buigen dat ze hier doen. Met een zangerig lijzig toontje, Konichiwaaaaaa, veel buigen en andere omslachtige omgangsvormen. Het is voor ons even wennen, maar de mensen zijn heel hulpvaardig en vriendelijk.

In het noorden bezochten we ons eerste natuurpark: Towada-Hachimantai National Park. Een park met hele diverse landschappen. Veel geothermische activiteit in de vorm van kokende, borrelende modder-vulkanen en fumarolen, waar Koen prima met zijn drone kon spelen. Lieflijk kabbelende riviertjes met watervallen en prachtige bomen. Bergen met kratermeren en moerassig laagland er om heen waar beren wonen. Die hebben we helaas nog niet gezien, maar wel een Japanse makaak op het midden van de weg…!

Gluten-technisch is het hier een uitdaging. In Japan stoppen ze overal sojasaus in. Als je Japanners duidelijk maakt dat je geen sojasaus mag eten kijken ze lang wazig voor zich uit…. brainfreeze! We hebben Google Translate op de telefoon waarmee je Japanse tekens kunt vertalen als je daar je camera op richt, maar die maakt prachtige en hilarische gedichten. Dit is de tekst op een flesje groene ice tea: een door Google Translate gegenereerde Haiku.

Nieuwe Haiku Grand Prize
Ik kan genieten van de lentebries bij het raam
Speciale prijs voor woningbouw
Werd Tayima zijn vrouw had gevuld
Sen riksja en de hoek van de vlam
Prijs voor het leven maken

Het is dus erg lastig om inkopen te doen, want je kunt echt helemaal niks lezen. Eten in een restaurant is eigenlijk niet mogelijk. Niemand spreekt engels. Sushi is nog redelijk overzichtelijk, dus dat eten we hier vaker. Gelukkig kunnen we in de camper zelf koken.
En toen was het tijd om met de boot naar Hokkaido, het noorder-eiland, te gaan. De komende weken gaan we met onze camper over dit eiland ter grootte van Zwitserland toeren. Het is daar wat minder bewoont, dus we hopen op wat wildlife en mooie wandelingen. Hopelijk hebben we geen last van de volgende tyfoon…

En hier wat fotootjes van zowel Anke als Koen:

Patagonia – Vulkanen en schietgebedjes

Dit is ons derde en laatste verslag over ons avontuur in Pategonië (in 2018). Lees optioneel het eerste of tweede verslag.

Het laatste deel van ons reisverslag Patagonië heeft weer eventjes op zich laten wachten. Eerst moesten we in recordtijd schakelen naar de feestdagen. Hit the ground running, zoals ze dat zeggen. Jullie hadden nog wat vulkanen te goed…

Nog steeds op de Carretera Austral hadden we rond Coyhaique zowaar asfalt. In Parque Nacional Queulat was dat weer het vertrouwde ripio en hier begon de eerste regen. Alles was groen. Tussen de bergen hing overal een prachtige mistsluier en de bijzondere, enorme Araucaria en Coihue bomen doemden op uit het niets en staken als zwarte figuren af tegen de witte achtergrond. Door de lichte buitjes heen toch naar de ‘hanging glacier’ gelopen. Prachtige wandeling door gematigd regenwoud. Overal mosjes, kleine bloemetjes, varens in diverse formaten, met druppels er aan, en enorme berenklauw-achtige planten en varens met erg grote bladeren. Alles bedekt met een glinsterend laagje regen. De wandeling was erg mooi, maar de gletsjer was helaas niet te zien door de mist.

Daarna was het tijd voor Parque Pumalin, waar het echt een regenwoud is, met enorme varens van 3 meter, lianen en 50 tinten groen. De regen bleef inmiddels gestaag vallen. Dat maakte het kamperen er niet prettiger op. De regen klonk als een kudde tap-dansende muizen op het dak.
In de loop van de dag toch een stukje blauw in de lucht en er kwam zowaar een zonnetje… Precies op tijd voor onze wandeling naar de vulkaan Chaiten: 650 meter omhoog in 2,2 kilometer. Dat was heftig voor de kuiten. Een stevige tocht door een landschap, veranderd door de pyroclastische uitbarsting van een vulkaan waarvan gedacht werd dat hij gedoofd was. Op 2 mei 2008 bleek dat niet te kloppen. De bergen stonden bezaaid met door hitte verbrande bomen. Instant kaal. Enorme kolommen in het landschap, en er onder verrassend veel begroeiing, decoratieve rode bloemetjes, grote oranje hommels en kolibries. Door dit type uitbarsting komt er weinig lava vrij. Wel was het dorp Chaiten begraven onder een modderlaag en 20 centimeter as.
Onverwacht de top bereikt en beloond met een prachtig uitzicht op de krater. Niet een bobbelende lava-poel, maar een krater-in-een-krater idee. Twee meren er in, met veel modder, stukken lava en kale bomen. Wat obsidiaan verzameld, foto’s gemaakt en toen waren de knieën aan de beurt bij de afdaling.

Ons laatste stuk op de Carretera Austral ging naar Caleta Gonzalo, waarna we besloten via Argentinië terug te rijden. Onderweg zagen we langs de kant van de weg zowaar een pudu, een mini-hertje, ook al zo zeldzaam om te spotten! We hadden weer geluk (toen nog wel). Helaas geen mooie foto, want ze vluchtte erg snel weg.
Op weg naar Argentinië kwamen we door het dorp Villa Santa Lucia, dat volledig weggevaagd was door een modderlawine. De afslag die we moesten hebben was ook verdwenen, dus we moesten door het verwoeste dorp rijden op zoek naar een doorgang. Ik geloof dat er ongeveer 20 mensen zijn omgekomen. De natuur is hier in ieder geval de baas.
In Argentinië eerst naar het park Los Alerces, bekend om z’n enorme bomen. Die waren helaas niet te zien. Alleen via een boottocht en die was nog niet te doen i.v.m. de lange winter hier. Vanaf dat moment ging het allemaal niet meer zo soepel. Koen sloot ons uit de auto (vervelende gevoelige sleutel), dus we moesten een paar uur wachten op een professionele auto-inbreker. Nog geen 10 kilometer van de camping af begaf onze camper het…. Vloeistof overal onder de motorkap. Lichtjes gingen branden. Rare geluiden…. En we waren zojuist het bordje gepasseerd met ‘geen telefoonbereik’… Acuut omgedraaid en met 10 schietgebedjes terug richting camping. Drie kilometer voor de camping vonden we het niet meer verantwoord om te rijden. Daarna was het bijna 4 uur wachten langs de kant van de weg op de monteur.
Die reed ons van beekje naar beekje, om steeds water in het koelsysteem van de camper te kunnen gooien. Toen de beekjes op waren moesten we een stuk gesleept worden naar de plaatselijke slager (!) (vriendje van de monteur), met 5 honden en koeienschedels in de achtertuin. Weer een uur later zaten we in de rommelige werkplaats een potje maté te delen met de monteur en zijn familie… Het begon een beetje te lijken op een gebroeders Coen – film. De monteur sprak alleen Spaans. Achteraf bleek de waterpomp kapot te zijn, en het onderdeel bestellen zou 4 dagen gaan kosten… einde vakantie…dachten we.

We konden een gewone auto huren, maar het was veel duurder als je die in Argentinië huurt en in Chili wilt inleveren. De monteur heeft ons dus de volgende dag voor veel geld in 6 uur naar Bariloche gereden in een mini autootje, waar we tussen onze bagage ingeklemd zaten. Prachtige omgeving, maar we zagen er niets van omdat we met 20 schietgebedjes veel te hard over de bergen aan het crossen waren. De monteur had zijn vrouw ook meegenomen, we denken achteraf voor een betere wegligging…
Met gierende banden het busstation bereikt en … onze bus was vol. Gelukkig konden we nog net een bus naar Osorno halen, wat ook in Chili ligt.

De volgende ochtend hadden we een huurauto! Het leek erop alsof we toch nog iets van de laatste dagen van onze reis konden maken, maar we misten onze camper.
Tijd voor meer vulkanen, want in Chili ligt de ‘ring van vuur’, dus het stikt er hier van. We reden naar Pucón, waar de vulkaan Villarica te bewonderen is. We besloten in het park Huerquehue te gaan wandelen, waar ze duimgrote zoogdiertjes en tarantula-achtige spinnen hebben. Beide hebben we (gelukkig) niet gezien. Wel veel enorme bomen, watervallen en prachtig gekleurde vogeltjes.
In Parque Nacional Conguillio nog meer vulkanen en lavabedden. Op een wandeling kwamen we op een plek waar we 3 enorme vulkanen tegelijkertijd konden zien! Keurig besneeuwde driehoeken op de horizon. Dit gebied heeft zeer actieve vulkanen!
Een andere wandeling ging door een bos met Araucarias, bamboe en monkey puzzle trees (ik geloof dat wij die slangenbomen noemen). Beetje onwerkelijke, vreemde combinatie van bomen, waar hagedissen zich thuis voelen.

Onze volgende stop was Los Angeles (in Chili) waar we op een drukke zondagmiddag tussen de locals nog een waterval, Salto del Laja, konden bezoeken. Een voorproefje van de drukte die nog zou gaan komen.
In Rancagua sliepen we in een oud koloniaal aandoend landhuis, met antieke meubels. Nog meer voorbereiding op de ‘geciviliseerde’ wereld. Inmiddels waren we omringt door wijnvelden waarvan we de vruchten in vloeibare vorm tijdens de vakantie hadden genoten.
Ze rijden hier als idioten, dus naast de weg ook veel kleine kapelletjes, opgedragen aan mensen die in het verkeer zijn overleden. Het zijn er heel veel…. In datzelfde verkeer op weg naar het vliegveld, waar we ook weer met 20 schietgebedje zijn gekomen. Ik begrijp wel waarom ze hier zo gelovig zijn. We vlogen met KLM, dus dat ging uiteraard niet soepel, maar na twee uur vertraging door sneeuw in Amsterdam (!) (terwijl het 30 graden was in Santiago), konden we vertrekken. Een laatste blik over de prachtige Andes, en het avontuur was voorbij.
Het eindigde niet helemaal zoals we wilden, maar wat een geweldig deel van deze aardbol. Wild, woest en wonderbaarlijk divers.

Dit is ons derde en laatste verslag over ons avontuur in Pategonië (in 2018). Lees optioneel het eerste of tweede verslag.

Patagonia – Ice on the rocks

Dit is ons tweede verslag over ons avontuur in Pategonië (in 2018). Lees ook het eerste of derde en laatste verslag.

Internet is hier zeldzaam. Inmiddels is onze camper kapot en zitten we in een afgelegen hotel in de buurt van Pucón, met de vulkaan Villarica om de hoek. Een verhaal voor later. We genieten van de rust, de ‘echte’ koffie, een bad en iemand die ons eten klaar maakt, maar we missen de vrijheid.

We waren gebleven in Argentinië, in Parque Nacional Los Glaciares, zoals de naam doet vermoeden een park vol gletsjers en ijsvelden. Onze eerste stop was Perito Moreno, een enorme gletsjer die je van dichtbij kon bekijken. Er zijn meer mensen die dat leuk vinden, dus het was erg toeristisch. Voor ons was dat even wennen, na de rust van de meer zuidelijke parken. De prachtige kleur blauw en het onheilspellende gekraak van het ijs waren indrukwekkend. Er vielen regelmatig wat stukken van de gletsjer, onder een ge-oo en ge-aa van het publiek.

De tweede gletsjer die op het programma stond was wat moeilijker te bereiken. Met een boot over Lago Argentino, een meer waar heuse ijsbergen in drijven, gingen we naar Estancia Cristina, waar we met een 4×4 via onmogelijke wegen naar de Upsala gletsjer werden gereden. Deze gletsjer, de grootste van het Patagonische ijsveld, is 4 kilometer breed en 60 meter hoog. Hij is helaas in een hoog tempo aan het verdwijnen, (global warming in actie) maar niettemin gigantisch. Vanaf daar ging een wandeling van 5 uur met een gids door een kloof met fossielen. Het buitenaardse landschap was prachtig. Veertien kilometer over dit terrein was pittig, maar zeer de moeite waard. Misschien kwam het door de fossielen, maar het voelde allemaal erg prehistorisch. De wijn en bier op het einde waren zeer verdiend.

Gletsjer nummer drie, genaamd Huemul, lag in de achtertuin van ons kampeerplekje bij Lago del Desierto. Het is hier soms wat koud, maar de zon schijnt regelmatig en het regent al weken nauwelijks. Wel waait het hier volgens mij altijd. Niet fijn als je kampeert, maar de condors schijnen het wel fijn te vinden. Bij El Chaltén, een klein dorpje aan de voet van Mount Fitz Roy, was een soort condor-highway. We zagen een aantal van deze enorme vogels op de thermiek zweven en cirkelen. Met de bergen op de achtergrond een fantastisch beeld.

Na al dat ijs was het tijd om weer de pampa op te rijden. Lege vlakten, of nee, niet leeg, gevuld met kleine struikjes, heel veel guanaco’s, nandu’s, soms wat wilde paarden en een enkel vosje. Daarboven de zwevende condors en de wolken die in de meest fantastische vormen boven de leegte hangen. En dan ineens rij je een enorme kloof in met een prachtige rivier en knalgroene bomen. De Cueva de los manos zijn grotten met 10 tot 13 duizend jaar oude handafdrukken en rotstekeningen. Om in contact te komen met hun voorouders maakten de mensen die toen in de kloof woonden airbrush-afdrukken van hun hand. Heel bijzonder. Een camping was er niet, dus we parkeerden onze camper boven op een berg, met fantastisch uitzicht aan alle kanten. Een mooie zonsondergang maakte het plaatje compleet. The Marlboro-man kon elk moment met zijn paard om de hoek komen.

En toen was het tijd voor de Carretera Austral, de zuidelijke ‘snelweg’. Dit is een stoffige, grotendeels onverharde weg die 1240 kilometer door afgelegen en de meest prachtige natuurgebieden van Chili gaat. Naast de weg meteen ruig landschap, overal loslopende honden in de bewoonde gebieden, en heel veel stof.
We moesten eerst naar het zuiden rijden, en met een pontje waar maar 10 auto’s op kunnen, naar Villa O’Higgins (Chilenen spreken dit heel anders uit) vanwaar we terug naar het noorden reden. Op de meeste plekken is het redelijke ripio (grindwegen), maar we zijn elke dag zo blij dat we een off-road 4×4-camper hebben gehuurd. Af en toe kleine dorpjes met een echt ‘end of the road’-gevoel, waar we wat eten konden kopen. Anke’s creatieve kookkunsten werden volledig benut. We aten wat er toevallig in de ‘minimercado’ aanwezig was. Verder vooral Natuur: bergen, rivieren en de meest fantastische bomen. In Tomango Nacional Reserve tijdens een late wandeling zagen we weer een Huemul (Andes-hert)! Zo zeldzaam, en wij hadden nu al twee keer prijs! Ze stond rustig aan allerlei groens te knabbelen. We stonden heel stil te fotograferen. Zo stil dat ze naar ons toe liep, en twee meter bij ons vandaan langs ons heen liep. Prachtig dier. We hadden haar kunnen aaien als we niet met camera’s in onze hand stonden. Sta je daar met je telelens….

Lago General is een onmogelijk blauw meer. Het is omringt door eindeloze velden van heerlijk ruikende gele en paarse lupine, en marmeren bergen die kleine grotten bevatten genaamd Capillas de Mármol. Met een bootje konden we het meer op om deze sculpturen van de natuur te bekijken. Met een vloeiend Spaans sprekende gids. Anke’s Spaans is niet toereikend voor geologische terminologie, maar gelukkig hebben we nog de Lonely Planet.
Overal bloemen! Ze hebben hier in elke berm een enorme overvloed aan bloemen. We hebben nog nooit zo veel bloemen gezien als op deze reis. Elke streek heeft zijn eigen bloemen: Knalgele brem, kilometers lang, lupine, wilde rozen, vingerhoedskruid, een ongelooflijk kleurenpalet.

Cerro Castillo is een prachtig park met enorme rotsen. Het wordt langzaam steeds tropischer. In temperatuur (28 graden) en in de flora: grote varens, gematigd regenwoud, kolibries. We kamperen hier regelmatig ‘wild’. Campings zijn hier nog steeds spartaans. De aardige en bijna tandeloze eigenaar van een camping vroeg of wij een vuurtje hadden om het hout aan te steken voor onze douche-boiler… In vergelijking is Afrika een super georganiseerd continent. Het is lastig dat zelfs de kleinste dingen een projectnummer moeten krijgen. Waaronder internet… wat zeldzaam is… en waardoor het zo lang geduurd heeft voor we dit konden posten.
Maar met zo veel moois om je heen is het moeilijk om daar lang bij stil te staan.

Onze reis zit er bijna op. Het laatste stuk van onze reis volgt in deel 3…. Met daarin toch nog wat regen, een kapotte camper, en prachtige vulkanen…

Dit is ons tweede verslag over ons avontuur in Pategonië (in 2018). Lees ook het eerste of derde en laatste verslag.

Patagonia – Fin Del Mundo

Dit is ons eerste verslag over ons avontuur in Pategonië (in 2018). Lees ook het tweede of derde en laatste verslag.

Vannacht hadden we een gletsjer in onze achtertuin. We stonden met onze camper bij Lago Desierto in Parque Nacional Los Glaciares. We zijn al twee weken onderweg en hebben al ongelooflijk veel mooie landschappen en dieren gezien. Tijd voor het eerste reisverslag van onze reis door Patagonië.

Onze reis begon via Parijs en Santiago in Punta Arenas, Chili. Daar hebben we onze pop-up camper opgehaald en begon onze route eerst nog verder zuidwaarts, naar  Tierra del Fuego, Vuurland. Eerst met de boot naar Porvenir, waar geen camping bleek te zijn. Onze eerste nacht in de camper was bitter koud, dus de whisky die Anke met vooruitziende blik had gekocht kwam goed van pas. De nachten zijn nog steeds erg koud, maar overdag is het weer eigenlijk wel goed. Behalve dan die altijd aanwezige snijdende wind. Het waait hier bijna altijd erg hard.

Het is hier zo koud dat zelfs een kleine kolonie koningspinguïns zich hier thuis voelt. Fantastische dieren! Er waren ook jongen – bruine fluffie bollen – en twee pinguïns waren ook bezig om nieuwe baby-pinguïns te maken. 

Vuurland staat vol kleine bomen die door de wind in allerlei rare vormen zijn gesnoeid. Ook staan er veel dode bomen, omdat er veel bevers zitten die ooit zijn geïntroduceerd. Niet zo slim, want ze zijn een plaag geworden en het landschap is er erg door veranderd. In het Tierra del Fuego National Park hebben we naast bevers ook Caracara, Nandu, Guanaco, zuidelijke ibissen, grote spechten, wilde paarden en vossen en gezien. Het voelt als het einde van de wereld, en dat is het misschien ook wel. Next stop is namelijk Antarctica. Helaas niet voor ons. Voor ons ging het vanaf Ushuaia (meest zuidelijke stad) nu weer noordwaarts.

De meeste nachten kamperen we wild, dus zonder faciliteiten. Eerlijk gezegd zijn de keren dat we op een camping stonden de faciliteiten zo slecht, dat we liever niet op campings staan. Het is moeilijk om dingen te vinden. Supermarkt, wandelroutes… ze doen hier niet zo aan bewegwijzering. Anke’s paar Spaanse lessen zijn al zeer goed van pas gekomen (gracias Myriam!), want behalve bij de toeristische plekken spreekt niemand hier iets anders. De wegen zijn vooral onverhard, er is nauwelijks bereik, dus we hebben zelden telefoon en internet en benzinestations zijn ver uit elkaar. Onze camper slurpt enorm, dus we kunnen ongeveer 400 km rijden. Tomtom stuurt ons regelmatig de verkeerde kant op, dus we kwamen bij Punta Delgada in de problemen. Onze jerrycan met reserve-benzine heeft geen schenktuit, dus terwijl we de benzine in het pikkedonker met de altijd aanwezige wind in onze tank probeerden te krijgen ging er veel over Koen’s schoenen en broek. Uiteindelijk het tankstation bereikt, maar die was dicht. Dus: overnachten op de Pampa in the middle of nowhere….

En the middle of nowhere op de pampa, daar is ook echt niets. Heuvels, zand, wind, kleine graspollen, en af en toe een estancia (landgoed) waar wat stoere koeien of schapen staan. En guanaco’s, ongelooflijk sierlijke dieren die keihard kunnen rennen (en dat ook vaak vlak voor je auto) en bijzonder lenig over hekken springen.

National Park Pali Aike was de volgende stop en is een oud vulkanisch gebied met lavabedden, oude kraters en flamingo’s. Een vreemd leeg landschap met hier een daar een guanaco en nandu. Veel graslanden en dan ineens een enorme krater en lavaformaties. Mysterieus landschap en… veel wind.

En dan ben je ineens in de Torres del Paine. Gigantische bergen, stijle rotsen, fantastische wandelingen, gletsjers, felblauwe geltsjermeren en geweldig wildlife.

Een wandeling naar Lago Grey gaf ons een gratis huid-peeling, maar leverde ook een mooi uitzicht op de gletsjer met dezelfde naam. Iedereen liep de kortste route terug, maar wij besloten om een eilandje heen te lopen, en daar troffen we de bedreigde Andes-hertensoort, de Huemul. Die zijn ontzettend zeldzaam en de kans om die te zien is erg klein, maar daar stond ze, twee meter bij ons vandaan, rustig te snoepen van de felrode bloemen die je hier overal ziet. We waren erg rustig, dus we konden wel een half uur van haar gezelschap genieten en uitgebreid foto’s maken. Wat een mazzel!

We wilden ook graag een gordeldier zien, en een dag later hadden we weer geluk. Deze kleine tank kwam voorbij gerend, dus we moesten snel zijn voor een foto. De volgende dag besloten we een route te hiken door poema-gebied. Kans om die te zien: nihil. De guanaco-skeletten (al dan niet in andere staat van ontbinding) die overal verspreid lagen gaven de indicatie dat we op de juiste plek waren voor poema’s. Op de terugweg zagen we drie mensen met camera’s staan. De ene bleek een tracker, en op enige afstand zagen we een struik met twee, en later vier oren… Poema’s! Na een half uur stil wachten kwamen ze tevoorschijn, waardoor we ze goed konden zien en fotograferen. Nog een half uur later kwamen ze op 20 meter afstand langs. Zo mooi om het typische kattengedrag te zien; rampetampen op een graspol, kopjes geven, buiksluipen…. gewoon een grote Faro en Poesjka… Wat een ongelooflijk geluk! Dos pumas!

Inmiddels zijn we in El Chaltén, maar daarover een volgende keer. Nu eerst wat fotootjes.

Dit is ons eerste verslag over ons avontuur in Pategonië (in 2018). Lees ook het tweede of derde en laatste verslag.

Paddlin’ Coast

Dit is ons derde en laatste verslag over ons avontuur in Canada (in 2017). Lees optioneel het eerste of tweede verslag.

The Paddlers’ Inn

We zijn inmiddels weer thuis en het is tijd voor het derde en laatste deel van ons reisverslag. We waren gebleven bij een houten huisje op een drijvend vlonder in een baai van Gilford eiland, ongeveer twee uur varen van ‘beschaving’. Er was geen elektriciteit, maar wel gaslampen en een keurige badkamer en keukentje. Onze directe buren waren, naast de eigenaar, zeehonden, meeuwen en raven.
Op een eiland, waar je alleen bij hoogtij naartoe kon wandelen, had je een eersteklas uitzicht op de zonsondergang. Ook een prima plek om met je drone te vliegen, trouwens.

We verblijven in ‘The Paddlers’ Inn’, een plek waar je, zoals de naam al doet vermoeden, prima kunt varen en kajakken. Het is de enige manier om je hier te verplaatsen, tenzij je een watervliegtuig hebt. We hebben dus aan zee-kajakken gedaan en dat ging boven verwachting goed, alhoewel onze spieren daar anders over dachten. Het was ook erg leuk om te doen en het fijne weer hielp ook. We konden tussen de eilanden door peddelen, en vooral bij laag tij kon je langs de rotsen in het water ontzettend veel leven zien. Zee-egels, zee-slakken, krabben, vissen, mossels, anemonen, schelpen… Het leek alsof je door een aquarium voer.

We hebben ook op Gilford eiland gewandeld. Een bos als een filmset, waar beren en poema’s leven, en waarschijnlijk ook trollen. We mochten beren-spray lenen, maar we hebben ze niet gezien, want ze zijn erg schuw. Het bos is nog redelijk ongeschonden gelaten door blanken. Het eiland is moeilijk bereikbaar, en dat maakt het lastiger om de bomen massaal te verwijderen, zoals hier verder op veel plekken gebeurd. Ook de zalmkwekers zijn hier een probleem. De gekweekte zalmen zitten met hun uitwerpselen en infecties in precies hetzelfde water als de wilde zalm. De First Nations, de oorspronkelijke bewoners, zijn aan het protesteren tegen deze kwekerijen. Go First Nations!

Met één van deze first nations hebben we een toer gedaan door hun land. Eerst voeren we langs wat eilanden op zoek naar o.a. grizzlyberen aan de kust. We vonden een jong mannetje dat zich heerlijk tegoed deed aan het eerder beschreven zeebanket. Ook de zeearenden lieten zich zien. Daarna gingen we bij een rivier op zoek naar vissende grizzlyberen. Het is de tijd van de grote zalmtrek, dus de meeste beren zitten bij de rivieren. Vanuit onze uitkijkplaats hebben we gewacht, maar er kwam geen beer. Het is natuur en geen dierentuin…

Enigszins teleurgesteld gingen we naar een hut bij de rivier voor onze lunch, toen er toch nog twee grizzlyberen aankwamen. We slopen dichterbij zodat we ze wat beter konden zien. We konden rustig toekijken hoe een dikke grizzly een zalm tussen de rotsen wist uit te vissen.

De tweede helft van de dag gingen we op zoek naar zeedieren. Helaas hebben we geen orka’s gezien, maar wel veel zeeleeuwen, zeehonden en dall’s porpoise (soort dolfijn). Onze tocht eindigde met een glinsterend zilvergekeurde zee, waar we omringd waren door een tiental humpback-walvissen. Overal om je heen hoorde je het geluid van water wat uit de blaasgaten werd gespoten, met bijpassende waterfontein. Magisch!

Quadra eiland

Het tweede eiland waar we verbleven was Quadra eiland. Totaal anders, want erg ‘beschaafd’. We moesten wat meer moeite doen, maar vonden uiteindelijk weer een sprookjesbos. De lichte regen maakte het alleen maar mooier. De bomen, varens en mos glinsterden, bij de kabbelende beekjes met rotsen zagen we kikkers, slakken en salamanders. De kust is prachtig, met een stenenstrand en aangespoelde witte bomen. Na het strandjutten was het heerlijk toeven in de grote badkuip buiten, die een ongelooflijk mooi uitzicht bood op een baai met een smalle landtong waarop dennenbomen zeer decoratief stonden te zijn. Op de achtergrond een decor van hoge bergen.

Op Quadra hebben we ook een bezoek gebracht aan de Skookumchuck Narrows, waar door het getijde regelmatig een grote hoeveelheid water door een nauwe doorgang tussen twee eilanden wordt gestuwd. Dit levert kolkende golven op waarop de lokale zeeleeuwen graag spelen. Bijzonder: surfende zeeleeuwen.

Secret Cove

En toen was het al weer tijd voor onze laatste locatie, namelijk Secret Cove, bij Halfmoon Bay op de Sunshine Coast. (Wat een namen!) Officieel het vaste land, maar we moesten wel met 3 ponden varen om er te komen, dus er is wel een beetje een ‘eiland-sfeer’. Bij ons houten huis met hot tub lagen ook twee kajaks, dus we konden nog wat peddelen door de Secret Cove. Die is niet meer zo geheim, want er wonen ook andere mensen. Het kanoën is niet hetzelfde als in het noorden, maar nog steeds een leuk tijdverdrijf. Daarna met een heerlijke salade, zak met knoflook-honing worstjes en flesje wijn nog naar de Smugglers’ cove gewandeld, waar we konden dineren met zonsondergang en drone.

Als toetje zagen we net na zonsondergang nog bevers op de terugweg. Niet te lang gebleven, want het is toch spannend om door een donker bos te lopen als je weet dat daar beren en poema’s leven.

We sloten onze vakantie af zoals we hem waren begonnen: met een alpiene wandeling. Dit maal in Tetrahedron Provincial park. De drukte bij de Sunshine Coast is prima te ontwijken als je een beetje het land in gaat. We maakten weer dankbaar gebruik van onze 4×4 om via een ruige weg naar het beginpunt te gaan van een wandeling naar Bachelor Lake. De bladeren waren aan het verkleuren, dus we liepen door een rood-geel gekleurde ‘saladebar’ van bessenstruiken. (De beren en vogels gaan hier graag dineren.) Het meer was weer spectaculair, magisch en zeer fotogeniek. En die hot tub was zeer welkom na de tocht.

Overal waar we waren hadden we goed weer. Op de dag dat we naar een andere plek gingen werd het weer altijd slechter. Ook nu begon het op de dag van vertrek ineens flink te regenen. Nog een laatste korte wandeling door een stukje druipend regenwoud, en daarna 3 uur wachten in de auto op de pont naar Vancouver… Na een autorit, pont, autorit, vliegtuig, bus, hardloopwedstrijd, trein, vliegtuig en autorit waren we weer terug. Met een jetlag, een hoofd vol herinneringen en harddisk vol met foto’s.

Rockin’ Rockies

Dit is ons tweede verslag over ons avontuur in Canada. Lees ook verslag een en drie.

Ik schrijf dit in een houten huisje op een drijvend vlonder in een baai van Gilford Island. Dit ligt in de Broughton archipel ter hoogte van het noorden van Vancouver Island. We hebben eigenlijk geen internet en niet eens elektriciteit (we mogen het weer en onze mail checken bij de eigenaar en daar onze elektronische apparatuur opladen), dus dit verslag heeft even op zich laten wachten: onze tocht door de Rocky Mountains.

In Waterton heeft de bosbrand inmiddels ook gebouwen verbrand en is het vuur de prairie op. In het Nationale Park hadden we gehoopt veel wildlife te kunnen zien, maar momenteel is dat definitief van de baan. Wij zijn dus in plaats daarvan naar het noorden gegaan, naar Revelstoke, waar we een prachtige wandeling naar Eva Lake hebben gemaakt. De volgende dag reden we via Yoho National Park, de Icefields Parkway op richting Jasper. Dit mooiste stukje asfalt van Canada met enorme bergen, gletsjers en rivieren kostte ook nu weer veel pixels. Vlak voor Jasper staken twee dames-elanden de weg over om ons welkom te heten. Iets ten Noorden van Jasper hebben we een blokhut met uitzicht op de onwerkelijk blauwe rivier en wapiti-herten in de ‘voortuin’.

Jasper anno nu is druk. Helaas niet meer het idyllische kleine dorpje wat het ooit was. Meer mensen en minder dieren. Tja, ik neem aan dat die twee dingen verband houden. We besloten om een wandeling te maken naar Geraldine lakes. Die wandeling stond niet op de kaart, dus we hoopten dat het daar rustiger zou zijn. Prachtige woeste natuur is nog steeds te vinden rondom Jasper. Je moet er alleen iets meer moeite voor doen. De wandeling was erg zwaar omdat die grotendeels over steenlawines voerde, waardoor je eigenlijk altijd aan het klauteren en klimmen was en soms zelfs op handen en voeten vooruit moest. De pika’s en marmotten vonden ons maar vreemde knaagdieren. Langs wat kleinere watervallen omhoog naar een prachtige grote waterval en een meer. Bijna alleen op de wereld.

De volgende dag toch even gedag gezegd tegen de ons bekende plekken. Het was even wennen hoe alles veranderd is. De hellingen die eerst groen waren zijn nu groen met rood. Er staan veel dode bomen tussen. Aangevreten door een keversoort die indirect ook mede verantwoordelijk is voor de bosbranden. Dode bomen fikken beter. We schrokken ook van de aanblik van Medicine Lake. Daar is blijkbaar enkele jaren geleden een bosbrand geweest, en de helling staan nu bezaaid met afgebrande stompen in plaats van dennenbossen. Jasper lake was ook wat drukker, maar gelukkig stonden er nog steeds moeflons langs de weg te grazen.
Op weg naar Maligne lake kwamen we nog een grote eland-stier tegen die tussen de bomen stond. Wat zijn het toch magnifieke dieren. Bij Maligne lake nog enkele wandelingen gemaakt, variërend in lengte en hoogte. Het begon al wat donkerder te worden, en toen schoot er vlak voor ons ineens een mama-eland met kalf het pad op. We konden ze ruim een kwartier bekijken terwijl ze rustig aan het grasmaaien en snoeien waren. Als toetje nog wat herten bij de parkeerplaats. Je kunt uren door het bos lopen op zoek naar dieren, maar de beste plek blijft toch altijd binnen 200 meter van de parkeerplaats 😉

Van de Rockies naar de kust. De weg van Jasper naar Vancouver was lang. Je kunt merken dat de winter niet ver meer is: er lag een keurig vers laagje poedersneeuw op de bergtoppen. Tussen de bergen hingen decoratieve slierten mist. Weer eens wat anders dan rook. Met het weer hebben we trouwens geluk. Het gaat elke keer regenen op de plek die we verlaten. Via Mount Robson met de Yellowhead Highway richting Kamloops. Na een dag rijden waren we in Vancouver, waar we de volgende ochtend met de pont de Georgia Strait overstaken. In Telegraph Cove werden we met de boot opgehaald voor ons avontuur in de wateren rondom Vancouver Island, maar die zijn nog in volle gang, dus daarover later meer.

Dit is ons tweede verslag over ons avontuur in Danada. Lees ook verslag een en drie.

Smokin’ Canada

Alweer een week in Canada en tijd voor ons eerste verslag. Lees ook verslag twee en drie.

Momenteel zijn we in Revelstoke en vandaag hebben we onze eerste Grizzly van deze trip gezien. En ook de eerste natte sneeuw 🙂

Maar we begonnen een week geleden in Vancouver. Het was 30 graden en mooi weer, maar we zagen niets tijdens de landing, want een groot gedeelte van British Columbia is gehuld in rook. De ergste bosbranden ‘on record’. Er hing een rare sfeer, een beetje als bij een zonsverduistering. De zon was soms te zien door de rook, en was dan rood. Voordeel was wel dat je daardoor erg mooie zonsondergangen had.

De eerste etappe ging via Chilliwack naar Slocan, waar net buiten Manning park een grote truck een steen tegen onze voorruit waaide, en daar een flinke ster maakte. Dat begint goed. Er is nog prima mee te rijden, maar de ster zit precies voor Anke’s ogen. Irritant.

De eerste week zouden we doorbrengen in de west-Kootenays. Een gebied dat niet op de doorgaande route ligt. Ook de wandelingen in de natuurparken zijn moeilijk te bereiken. Dat is tevens ook de charme van het gebied. Er is geen massa-toerisme. Je hebt soms de hele wandeling voor jezelf. De prijs is een ruwe bergweg, die zelfs met onze dikke 4×4 erg spannend is. 

Tijdens onze eerste tocht naar Gimli Peak in Valhalla Provincial Park moest Anke regelmatig uitstappen om Koen door kuilen en steenhopen te gidsen. Boven op de berg aangekomen moesten de auto’s die ’s nacht zouden blijven staan, met kippengaas afgezet worden. Anders zouden de stekelvarkens de autobanden en remkabels opeten…

De tocht zelf was erg zwaar. Een hoogteverschil van 800 meter is voor onze Nederlandse benen een uitdaging. Ondanks de rook toch een prachtig uitzicht, en Koen had zijn drone meegenomen. De marmotten vonden het maar een rare vogel.

Daarna gingen we door naar ‘The gatehouse-on-the-point’ op Woodbury point, nabij Kaslo, waar we de rest van de week zijn gebleven. We werden erg vriendelijk ontvangen door de super lieve eigenaars. Het prachtige houten huis heeft uitzicht op Kootenay lake en een houten terras waar je direct aan het water zit. Perfect met een maple-whisky. 

De volgende dag kregen we het vervelende nieuws dat de bosbranden Waterton National Park hadden bereikt. Daar zouden we over drie dagen naar toe gaan… Het hele gebied moest geëvacueerd worden en onze boekingen waren geannuleerd… Gelukkig waren we er nog niet. We besloten iets langer in Kaslo te blijven en de bosbranden te ontwijken door naar Revelstoke National Park te gaan. 

Na een dag regen was de lucht enigszins opgeklaard, waardoor we voor het eerst sinds dagen weer blauwe lucht zagen! Een bezoek aan Idaho Peak gaf prachtige uitzichten. In het noorden is het nog steeds heiig van de rook, maar in het zuiden kon je gigantisch ver kijken. Helaas vinden Anke’s zwakke enkels die bergtochten niet zo fijn en is ze er al twee keer doorheen gezakt. Au. Op terugweg een bezoek gebracht aan Sandon, een voormalig zilvermijnstadje en nu een ghost-town. Er staat de oudste werkende electriciteitscentrale van Noord-Amerika en er wordt nog steeds zilver gevonden. Het lijkt wel een scene uit oude film over het wilde westen.

We wisselen een wandeling hoog in de bergen af met een wandeling door oude ceder- en redwood-bossen, lager op de bergen. In de bossen grote bomen -sommige enorm! – varens, watervallen en overal mos. In de rivier zwemmen knalrode Kokanee zalmen die overigens ook erg lekker zijn.

Op de bergen kleine dennenbomen, oude steenlawines, bergbeekjes, bessenstruiken en onze eerste zwarte beer in Kokanee Provincial Park. Helaas was ie te snel weg voor een foto. Wel hebben we veel foto’s van een varia aan knaagdieren. Onze nieuwe hobby: spot de marmot! Overal hoor je alarmerend gepiep van pica’s, marmotten, chipmunks, eekhoorns en grondeekhoorns. Er was zelfs een pica die naar Anke toe liep en op minder dan een meter afstand zeer geïnteresseerd stond te kijken wat ze aan het doen was met die zwarte doos.

De rust van de Kootenays staat in schril contrast met de drukte in Revelstoke, waar je de hele tijd andere mensen hoort, Nederlands de voertaal blijkt te zijn en je door de berenbellen het idee krijgt dat je in de Alpen tussen de koeien loopt. De Grizzly trok zich niets aan van die bellen. 

Ondanks tegenslag en nare gebeurtenissen gaan we morgen over de Icefiels Parkway richting het prachtige Jasper.

Dit is ons eerste verslag over ons avontuur in Canada. Lees ook verslag twee en drie.

Rondreis Namibië en Botswana [3/3]

Dit is ons derde en laatste verslag over ons avontuur in Afrika. Lees ook verslag een en twee.

Onze Toyota Landcruiser maakte al eerder wat rare geluiden, maar na een check bij een dealer werd ons verzekerd dat het in orde was. Twee weken in onze reis werden we echter aangesproken over het profiel van onze banden. Of beter gezegd het gebrek aan profiel! De voorbanden bleken voor de helft kaal! Gevaarlijk en onverantwoord, zeker in het terrein waar we zouden gaan rijden. Dat was het begin van onze tour door diverse garages. Onze maat banden waren nergens te vinden, dus moesten we de reservebanden erop laten zetten. Het uitlijnen kregen ze niet goed voor elkaar. Er gingen lampjes branden op de dashboard die niemand begreep. Eindeloos wachten in de hitte… This is Africa….

Uiteindelijk vonden we iemand in Katima Mulilo die onze auto kon maken, maar helaas betekende dat dat we niet op tijd bij de grens met Botswana zouden zijn, die om zes uur sluit (!) Helaas misten we dus de campsite in Chobe National Park die we een half jaar geleden hadden geboekt omdat dat de enige in het park was. Dat was balen!  

Ondanks de tegenslag toch nog genoten van ons kortere bezoek aan Chobe de volgende dag. Diverse soorten antilopen, giraffen, zebra’s, wrattenzwijnen, pelikanen, bavianen en zelfs een groep leeuwen met welpen! Er lagen hier en daar wat dramatische karkassen en schedels. De leeuwen hebben hier een duidelijke voorkeur voor buffel. Toch verstandig om in je auto te blijven, om geen meals on wheels te worden 😉 

Chobe staat bekend om zijn olifanten, maar ondanks dat we er veel hebben gezien waren het er minder dan gebruikelijk. Er hangt al een paar dagen een dreigende lucht met af en toe onweer en olifanten houden blijkbaar niet van regen.

De wegen in Botswana zijn in de parken veel slechter dan in Namibië. Erg fijn dus dat onze auto is uitgelijnd, maar geen fijn idee dat we nu geen reservebanden meer hadden.

Onze campsite was bij Senyati, waar ze een eigen waterbron hebben waar vooral in de middag en avond veel olifanten komen drinken. Vanaf een houten terras heb je de hele avond voorstelling. Helemaal fantastisch was de bunker. Een ruimte onder de grond waardoor je op grondhoogte heel dichtbij de olifanten kon komen. Je kon ze bijna aanraken. Wat een intense belevenis. Ook een complete kudde buffels kwam een drankje halen. In de avond bleef er een kleine olifant alleen achter. Vermoedelijk zonder moeder, want hij vertrok niet met de kudde. Iedereen was al gaan slapen en de kuddes waren vertrokken. Hij graasde rustig op twee meter afstand langs ons. Heel bijzondere ervaring.

Volgende stop was Nxai Pan, onderdeel van het Makgadikgadi Pans National park. Een enorme zoutpan, midden in Botswana, waar leeuwen, mongoose, de kori-bustard (de grootste vliegende vogel, de koritrap) en zelfs de bat-eared fox (grootoorvos) te zien was. Deze laatste ontmoeting was erg bijzonder, want ze zijn niet vaak te zien. Ook bijzonder waren de Baobab’s. Deze enorme dikke bomen slaan water op in hun bast, waardoor ze de enorme droogte kunnen doorstaan. Het zag er buitenaards uit, die rare bomen op een enorme vlakte van witte zoute aarde.

En toen was het tijd voor de Okavango: Moremi National Park. Alhoewel het de grootste concentratie van wildlife in het zuiden van Afrika heeft viel het wat dat betreft een beetje tegen. We waren inmiddels erg verwend en omdat Moremi zo groot is zijn er hele droge stukken waar je nauwelijks wildlife ziet. Er waren wel erg paradijselijke stukken; de Paradise pools bijvoorbeeld. Daar reed je ineens een groene wereld binnen. Water, groen gras, bomen, waterbokken die staan te drinken, aapjes die spelen op de grond en in de bomen, overal vreemde vogels en grazende impala’s. Ook de leeuwen vinden het idyllisch. Er lag een mannetjes-leeuw pal naast de weg bovenop een impala die hij zojuist gedood had. Een leeuwin had de grootste moeite met het verslepen van een grote impala. 

De wegen zijn ongelooflijk slecht. Zelfs met onze grote 4×4 kostte het ons vele schietgebedjes om door dit gebied te navigeren. Kuilen in de weg, bomen op de weg, soms zelfs door een rivier. Zandwegen waarop je in ieder geval niet moet stoppen, omdat je anders nooit meer weg komt. Als een soort half bestuurbare boot ploeg je door een rivier van zand.

Maar wat een overweldigende wilde natuur! Op ons kamp bij Third Bridge stond een enorme boom met peulen ter grootte van een mannen-bovenarm. Dat zag er buitenaards uit. Je moest oppassen dat de hyena’s en de bavianen niet je eten pikte, maar wij hadden vooral hornbill’s op onze campsite. Geweldige vogels met een grote snavel die zeer nieuwsgierig zijn. Het begon donker te worden, dus snel een soepie en een kampvuurtje gemaakt. Met onze rug naar de auto en het kampvuur voor ons, nog even nagenietend met een wijntje, klonk achter ons wat gekraak. Even later liep er op een paar meter afstand van ons een olifant kalmpjes door onze campsite… Wow.

De volgende ochtend reden we over een zandweg waar enorme pootafdrukken van een katachtige te zien waren. Er bleken twee mannetjes-leeuwen gesignaleerd te zijn in de omgeving. Als je dan moet plassen onderweg ga je toch maar dicht bij de auto zitten met je blik naar achteren ipv naar voren! 

Na een nacht in Maun, (douche, zacht bed, restaurant!) waar ook de woningen omheind waren met hoge muren en  nato-draad (!) namen we de trans-kalahari highway die ons terug naar Namibië bracht. De weg was lang en droog. Dat valt te verwachten van een woestijngebied. Helaas lag er ook veel troep langs de weg en een grote hoeveelheid dode koeien in diverse staat van ontbinding. Kleine zandtornado’s en zelfs een ‘bos’brand gaven toch een avontuurlijk tintje aan de rit.

Onze reis eindigde in de buurt van Gobabis, waar de Harnas Wildlife foundation wilde dieren opvangt. We kregen een privé-tour gedurende de ochtend waarbij de dieren gevoerd werden. Hierbij zagen we ook een paar ezels, die weliswaar vakkundig in stukken gehakt waren om als voer te dienen voor de leeuwen, luipaarden, cheetahs, wilde honden en zelfs een caracal. Onsmakelijk maar erg fascinerend.

Ze hebben ook een school voor de plaatselijke San-kinderen. Het voelde heel dubbel toen we daar rondgeleid werden en we als een soort Angelina en Brat begroet werden.

Nog wat struisvogels gevoerd en toen was het tijd voor onze laatste etappe terug naar Windhoek.

De ongelooflijk mooie landschappen, de vriendelijke mensen en de enorme hoeveelheid wildlife die we hebben mogen zien… wat een avontuur.

Dit was ons derde en laatste verslag over ons avontuur in Afrika. Lees ook verslag een en twee.

Rondreis Namibië en Botswana [2/3]

Deel twee van ons reisverslag. Lees ook deel een en deel drie.

We zijn inmiddels terug van ons avontuur, maar de internetverbindingen waren grotendeels afwezig, waardoor we niets meer konden posten. Jullie hebben nog wat verhaal te goed.

Na een overnachting in een luxe lodge net buiten Etosha was het tijd voor de Caprivi-strip. Dat is een smal stuk land boven Botswana dat nog bij Namibië hoort. Het heeft veel geleden van de oorlog in Angola  en inderdaad lijkt het of je ineens een derde wereld land binnen rijdt. Veel kleine dorpjes met bouwsels van hout en modder. Overal koeien, ezels en geiten en veel kinderen en vrouwen die water op hun hoofd droegen. Daar dwars doorheen lag een keurige geasfalteerde weg. Het voelde heel raar om daar overheen te rijden met je dikke auto. We werden toegezwaaid door kinderen met een koptelefoon op. Die hebben dan een telefoon, maar geen fatsoenlijke kleren of woning. Lang leve de westerse invloeden…

Het was al warm, maar inmiddels steeg de temperatuur elke dag naar meer dan 40 graden. We reden malaria-gebied binnen dus begonnen we met onze pillenkuur. De bijwerkingen vielen gelukkig mee. We overnachtten aan de Okavango-rivier, dus we waren grootverbruikers van Deet. Met al dat water zie je ineens allemaal groen en tropische bloemen en planten. In de rivier krokodillen en nijlpaarden. In de bomen aapjes en vreemde vogels. Totaal anders dan de droge woestijn en kale bomen van het gebied waar we vandaan kwamen.

De volgende stop was de Mashi Conservacy, een prachtig natuurgebied aan de Kwando rivier, waar we onze tent konden opzetten naast hutjes van hout en leem, waar dan ons toilet en zelfs een soort ‘keukentje’ in gebouwd waren. In de rivier naast de campsite lagen de nijlpaarden in het water. ’s nachts dus uitkijken als je naar de wc gaat, want dan komen ze aan land, vlak naast je campsite. Je wilt niet tegen een nijlpaard aanlopen! Nijlpaarden zijn gevaarlijker dan leeuwen. Die vonden we niet in ons kamp, maar helaas wel de onschuldige, maar zeer enge ‘wind-scorpion/sun-spider/solifugae’. Een soort mutant van een spin en schorpioen….Brrrr.

Bij de eigenaar, een Engelsman die daar is gaan wonen, boekten we een boottour om de dieren te bekijken vanaf de rivier. Wat een fantastische tocht was dat! Overal olifanten die kwamen drinken en een bad nemen, krokodillen, nijlpaarden, varanen(!), kuddes buffels en impala, sitatunga en diverse andere antilopen, visarenden, goliath-reigers die anderhalve meter hoog zijn… Wat een paradijs! De zon ging onder en we voelden ons alsof we in een National Geographic documentaire terecht waren gekomen. Sir David kon elk moment zijn commentaar leveren op het prachtige schouwspel!

De volgende ochtend maakten we nog een wandeling met de camping-eigenaar, door de omgeving. We leerden veel over sporen, bomen, de cultuur en poep! Het ligt overal vol met olifantenpoep (houdt muggen weg als je het verbrand, maar dat hebben we niet uitgeprobeerd 😉 en dat zijn keutels ter grote van een kleine voetbal. De laatste ochtend maakten we nog een boottocht over de Kwando, waarbij we door een jonge man werden begeleid die daar is geboren en opgegroeid. Het voegt echt iets toe door de verhalen aan te horen van iemand die daar ook daadwerkelijk thuis is.

De Kwando wordt later de Zambezi, die bij Livingstone met veel geraas veranderd in de Victoria Watervallen. Zo dicht bij één van de zeven wereldwonderen besloten we een uitstapje naar Zimbabwe te maken. Het duurt eindeloos voor alle papierwerk is geregeld en je de juiste stempels en visa hebt, en bovendien is het duur en toeristisch, maar het was een prachtige omgeving. Het was het droge seizoen, waardoor de helft van de watervallen droog stonden, maar niettemin een bijzondere plek. Groene bomen, lianen, aapjes, wrattenzwijnen, vogels en een regelmatige douche die bijzonder welkom was bij 45 graden. Indrukwekkend!

Daarna was het tijd voor het avontuur ‘Botswana’. Daarover later meer. Nu eerst wat fotootjes… 

Dit was deel twee van ons reisverslag. Lees ook deel een en deel drie.