Meren in de Rockies

Na ons noordelijke avontuur was het tijd voor de Rockies.

Een lange weg via Prince George (houthakkersstadje) naar Jasper; Anke’s favoriete plek op aarde. Rijden in Canada is een hele andere bezigheid dan in Nederland. De wegen zijn relatief leeg, de automobilisten beleefder, het landschap prachtig, kans op beren en ander wildlife langs de weg. Een paar honderd kilometer meer of minder maakt hier niet uit.

Bij aankomst in Jasper wachtte ons een verassing… waar waren de wapitiherten (Elk)? In voorgaande jaren struikelde je over die enorme herten voordat je Jasper binnen kwam. Nu geen hert te bekennen… Eerst maar even ingecheckt in onze blokhut met sjieke badkamer en toen meteen op jacht. We vonden welgeteld 1 hele wapiti; een jong mannetje. Daar bleef het dit jaar bij…

Eerst maar even hallo gezegd tegen een oude bekende: Medicine Lake. Dit meer loopt in de lente vol met smeltwater en regen, om vervolgens, heel langzaam, als een badkuip weer leeg te lopen. In een hoek van het meer kun je het zelfs weg horen borrelen. Via onderaardse gangen komt het kilometers verderop weer uit in een meer. Koen kon hier leuk spelen met zijn zelfgemaakt ‘teletijdmachine’. Een motortje trekt heel langzaam een karretje over een zelfgemaakte dolly. Fototoestel op het karretje en om de paar seconden een foto. Als je die dan achter elkaar zet als een filmpje krijg je bijvoorbeeld 20 seconden voorbijtrekkende wolken, terwijl de voorgrond beweegt. Zoals ze hier zeggen: awesome!

Vervolgens naar Maligne lake. Op weg daarnaar toe zagen we een zwarte beer met 3 jongen! Toeristen veranderen in totale idioten als het om wildlife gaat. Ja, een foto is super, maar wij houden enige afstand, en blijven in of bij de auto. Er zijn mensen die naar een zware beer toelopen, en van een paar meter afstand met zo’n k*t-cameraatje met flits een foto maken. Een moederbeer kan erg gevaarlijk zijn, en als het beest aanvalt om z’n jongen te beschermen, dan wordt de beer zeer waarschijnlijk afgeschoten.

Tijd voor een ontspannen wandeling bij Maligne lake. Het was weer drukker dan de vorige keer. Helaas hebben meer mensen ontdekt hoe geweldig het hier is. De meeste bezoekers zijn bussen met Aziatische mensen die in hordes uit een bus rennen om wat foto’s te maken en dan na 15 minuten weer vertrekken. ‘Doing Canada in a week’. Als je gaat wandelen ben je zo weer alleen.
De wandeling voerde ons deze keer naar de Bald hills. Eerder deze vakantie hebben we ook gewandeld in zeer beerrijke omgeving, dus voor het eerst dit jaar maar beerspray gekocht; een soort pepperspray. Die hangt in een houder heel stoer aan Koen’s broek. Hij loopt hier als John Wayne over de wandelpaden.
Langs het wandelpad stonden heel veel bessenstruiken, en op het pad lag het vol met berenpoep. De bessen waren nog niet eens goed verteert, wat de chipmunks een ware lekkernij vonden. Mooi toch, al die recycling hier. Overigens geen beer gezien daar.

Nog even naar Moose lake om het af te maken. En daar gaat onze theorie. Die was namelijk dat bij plekken die vernoemd zijn naar dieren, nooit die betreffende dieren te vinden zijn. Deer-river; geen hert te zien. Bear-mountain; geen beren. Beaver-pond; rimpelloos en leeg… In Moose-lake… zwom een eland! Een vrouwtjeseland zwom heen en weer om te grazen van de waterplanten, onderwijl allerlei smakelijke smakgeluidjes makend. Ze genoot er duidelijk van. Ze was ook niet echt bang, dus we konden dichtbij komen en haar van alle kanten om het meertje heen fotograferen. We gingen rustig zitten en ze besloot direct naast ons uit het water te komen. We moesten zelfs even aan de kant gaan om haar wat ruimte te geven. Het is verboden naar wilde dieren toe te lopen, maar wat doe je als je zo stil zit dat ze bijna over je heen wandelen…
Na een uur begon het echt donker te worden. Bij Moose-lake zagen we een paar jaar terug van zeer (te) dichtbij een grizzly. In het donker daar rondhangen leek ons niet zo verstandig, dus namen we afscheid van ons fotomodel.

We meren wat af in Jasper National Park. In de ochtend een wandeling bij Patricia Lake waar wat bevers een prachtige burcht hadden gemaakt. Er zwommen er een paar in de verte. Een picknick bij Pyramid Lake, en natuurlijk Anke’s favoriet: Jasper lake. Dit prachtige meer in pasteltinten wordt grotendeels genegeerd door de toeristen, omdat het een beetje verscholen ligt achter een duin. Heerlijk rustig, op wat kuddes moeflons (bighorn sheep) na. Een kudde mannetjes was alvast aan het oefenen voor de grote testosteron-wedstrijd. Er werd wat vriendschappelijk geramd.

Dit jaar ook maar eens een bezoek gebracht aan Mount Robson Park. We reden er eigenlijk altijd doorheen, maar nu was het tijd voor een nader onderzoek. Alweer een meer op het menu, namelijk Kinney Lake.
Ook hier weer een smakelijk bos. Letterlijk, want het staat vol bessen en wel honderden soorten paddestoelen. Mount Robson liet zijn top niet helemaal zien, maar zo’n wolkenmuts is ook wel decoratief. Hier dragen de bergen ook regelmatig een wolkenboa. Zeer fotogeniek.
De herfst laat zijn prachtige kleuren zien en overal zit mos. Wat een rijkdom hier.

Na een laatste bezoek aan Jasper Lake via de geweldige Icefields Parkway verder naar het zuiden. Deze weg vol gletsjers hebben we vaker gereden, maar het blijft een van de mooiste stukjes asfalt ter wereld. Overal bergen, gletsjers, watervallen, rivieren en bossen, en dit alles in superlatieven.
Een wandeling van een paar uur op de Parker Ridge Trail, omhoog naar een fantastisch uitzicht over de Saskatchewan gletsjer.
En de zon schijnt nog steeds.

Inmiddels zitten we in Golden, in Kicking Horse mountain resort. Dit is een groot skigebied, wat nu praktisch verlaten is. Voor weinig geld hebben we een enorm appartement, met een badkamer die zo groot is als de gemiddelde motelkamer. Er zijn ongeveer 10 gasten in deze enorme ‘mountaineer lodge’. Lekker rustig. Na een heerlijke wandeling lekker in het enorme ligbad… wijntje erbij… haardvuurtje aan… Awesome!

Wildlife viewing

Na een paar dagen slechte internetverbinding is het weer hoog tijd voor een reisverslag.

We zijn inmiddels aardig wat beren verder. En de zon schijnt nog steeds.
In Stewart en Hyder (spookdorpje in Alaska) draait het dus vooral om de beren en ander wildlife. We wilden eens een andere manier van wildlife fotograferen proberen. Niet het soort waarbij je ernaar zoekt, maar waar je wacht tot het naar je toe komt.

Eerst even wat over het ‘wildlife-viewing’. Wat we meestal doen is verblijven op locaties met veel wilde dieren. Dan ga je rondrijden en wandelen op plekken waar je kans hebt ze tegen te komen. Dit doe je dan rond de tijdstippen dat je de meeste kans hebt: vroeg in de ochtend, en de laatste uren voor zonsondergang, en dan blijf je een tijdje rondhangen op een potentiële plek. Zo zie je redelijk wat dieren, maar die zijn vaak bang voor mensen, want er wordt ook op ze gejaagd. Je hebt geluk als je een foto kunt maken, maar vaak is dat een snelle foto, en dan is het beest, zeer verstandig, weer weg.
Om ‘mooie’ foto’s van wildlife te maken kun je op speciale plekken, bijvoorbeeld ‘viewing-platforms’ terecht. Daar verzamelen om half 7 in de ochtend aardig wat fotografen met enorme, dure telelenzen. Daar sta je dan gezellig te blauwbekken tot er wat komt. Dit hou je vol tot een uur of 11. Dan ga je naar je hotel; foto’s bekijken, slapen etc. En om 5 uur ga je weer richting platform, tot een uur of half 9. Dan weer naar het hotel, snel wat eten, slapen, en om half zes weer op. Er komt niet altijd wat, dus je kunt soms uren of zelfs dagen voor niks op zo’n platform hangen. Er zijn mensen die dat weken kunnen volhouden. Maar als er wat komt, dan heb je dieren die gewend zijn aan die rare wezens op dat houten geval, en dan kun je geweldige foto’s maken.

Wij hadden helaas pech, want de eerste ochtend moesten we vanwege luidruchtige buren eerst verkassen voor we naar het platform konden. We hadden net een hele soap gemist van een beer die weggejaagd werd door 3 wolven(!), die daarna een half uur leuk vissen hebben zitten vangen en opeten. We konden nog de prachtige foto’s bekijken die een Nederlands echtpaar had gemaakt… Daarna hebben we dus een paar dagen op het platform rondgehangen. Dat waren we al van plan, maar de aanwezigheid van wolven maakte ons fanatieker. (Op de wildlifeviewing-schaal van 1 tot 10, is een grizzlybeer een 7 en een wolf een 11 ;-).) We hebben twee zwarte beren en twee grizzlies gezien. De laatste was een grote grizzlybeer, die we lang konden bekijken terwijl hij in een meertje zwom en vissen ving, maar geen wolven…

Overigens hebben we meer beren gezien zonder platform. In Hyder lopen ze gewoon over straat. Op dezelfde straat waar ook de kinderen spelen. Over beren dus zeker niet te klagen. En we hebben zelfs wat bijzondere dieren gezien. Een cougar (puma, mountain lion – toch zeker een 30 in de wildlife-schaal!), stak de weg over! Helaas dus geen foto… Een muskusrat hadden we ook nog niet, en wat te denken van een Giant water bug (juist, een grote waterkever – ik weet niet hoe die in de schaal staat 😉 ).

Het weer in Alaska was geweldig. In de ochtend wat fotogenieke mist, en daarna een lekker zonnetje. Wij gingen in de middag dus niet naar het hotel, maar wandelen en rondrijden. Op de Titan Trail was het deze keer Anke die uitgleed. Geen dramatische ziekenhuisbezoeken, maar wel een been in 50 tinten blauw. De Salmon Glacier is een enorme gletsjer, waar je het echte Alaska-gevoel bij hebt. We zijn zeer blij met onze 4-wheel-drive 😉

Verder ook een bezoek gebracht aan Anhluuy’ukwsim Lsxmihl Angwinga’asanskwhl Nisga’a park. (Vraag me niet naar de uitspraak.) Het is een gebied waar een vulkaanuitbarsting is geweest rond 1700 die bijna een hele native stam heeft uitgeroeid. Het is nu een ‘lavabed-memorial-park’, waar je mooie wandelingen kunt maken tussen de spaarzaam begroeide lavabedden.

De laatste avond op het platform in Alaska reden we in het donker naar het motel terug, en toen stond er ineens een wolf midden op de weg. Hij bleef ons een tijdje aankijken en liep toen de nacht weer in.

Veel zon – weinig beren

We zijn alweer ruim een week in Canada, en het is tijd voor ons eerste reisverslag.

Onze reis begon met een vlucht met KLM en onze bagage is deze keer ook mee gekomen. Ook was er een glutenvrije maaltijd, en die was zowaar lekker. Op het vliegveld in Vancouver kregen we een enorme Ford Explorer mee, dus het exploreren kon beginnen!
Via Squamish en Williams Lake en daarna door de Chilcotin. Na deze hoogvlakte van 400 km reden we via The Hill, een stijle onverharde weg, de Bella Coola Vallei in. Een oase midden in het Great Bear Rainforest.

Onze eerste locatie was de Floathouse inn, een soort woonbootje in de haven, met prachtig uitzicht over de delta en de bergen. Onze buren waren, naast wat kleurrijke types die op boten woonden, hoofdzakelijk zeehonden, die ’s avonds op de houten drijvende kade kwamen liggen en komische, grommende geluiden maakte. Bovenop de boot was een terrasje gemaakt, waar we heerlijk konden zitten. Vooral omdat het weer super was (en nog steeds is). (Sorry, jullie hebben, geloof ik, wat regen?)

Onze gastheer Carsten heeft ons 3 dagen onder zijn hoede genomen. Met zijn boot zijn we naar Green Bay gevaren, een paradijselijk deltagebied, en naar een oude Cannery, waar ze vroeger vis vingen en inblikten. Vol met prachtige verroestte machinerie, oude vervallen gebouwen en een beek die zwart zag van de zalm.
Ook hebben we een wandeling gemaakt door een alpien gebied, naar M.Gurr lake. Prachtig uitzicht onder een wolkeloze hemel. Er stonden zo veel blauwe bessen en huckleberries, dat we onderweg jam maakten daar waar we liepen. Het wildlife bestond hoofdzakelijk uit erg vervelende muggen en vliegen, maar het landschap en uitzicht waren het waard. De wandeling in de delta bracht gelukkig wat zee-arenden, maar die waren eigenlijk niet dichtbij genoeg.

Na ons heerlijke verblijf moesten we helaas afscheid nemen en reden we naar de Mountain Lodge, waar we de eerste dag door fantastisch regenwoud hebben gewandeld. Enorme ceders en overal mos. De bossen in Canada zijn sprookjesachtig en indrukwekkend.
Inmiddels hadden we nog maar weinig fotografeerbare beren gezien, en dat was een belangrijke reden om hier naartoe te komen. Vier Grizzly-beren in de verte, en 3 wegrennende achterwerken toen we de berg op reden. We hadden speciaal voor de beren een boottoer gereserveerd over de Atnarko rivier. Het moest er wemelen van de beren! Helaas hadden we pech. Niet 1 beer gezien. Het is helaas een slecht beren-seizoen… Wat een hoogtepunt had moeten zijn werd dus een teleurstelling.
Daar komen we ook wel weer over heen, want in dit prachtige landschap is nog zo veel te zien, en nog zo veel kansen op wilde dieren.

Inmiddels zitten we in downtown Prince George. Op weg naar Stewart en Hyder. Hyder ligt in het zuidelijke deel van Alaska, en ook daar zijn zalmen! En beren houden van zalmen, alhoewel we gehoord hebben dat het ook daar slap is. We gaan gewoon een kijkje nemen en eten zelf ook een stukje zalm. Niet te vergelijken met de gekweekte zalm van de Jumbo 😉 Jeemig, wat is dat lekker. Ze hebben hier chinook-zalmen van tussen de 20 en 40 kilo. Ook indrukwekkend als die voor je boot uit het water opspringen.

We vermaken ons dus prima en hebben hier en daar ook een kiekje gemaakt 😉

Zwarte vulkanen en zwart strand

Jullie hebben nog een laatste verslag van onze reis door Nieuw Zeeland te goed. Sinds enkele uren zijn we thuis (fysiek, want psychisch en bioritmisch moeten we nog landen).

Onze boottocht naar het Noordereiland verliep voorspoedig, en op naar het Tongariro National Park. …waar het helaas erg bewolkt en regenachtig was. Voor we in National Park (zo heet het dorp, hoe kom je er op) aankwamen zagen we nog net een stukje van een vulkaan, en toen schoven de wolken dicht.
De dag erna was het de gehele dag erg bewolkt, en er vielen flinke buien. De Tongariro Crossing werd ‘ten sterkste afgeraden’. Het was sowieso niet mogelijk om in de hoger gelegen gebieden te wandelen. De sneeuwgrens was al verlaagd naar 1600 meter, en met een zicht van een paar meter heb je er niets aan om de berg op te klauteren.

We zijn dus maar naar een lager gelegen gebied gereden, en hebben een aantal kortere wandelingen gemaakt. De eerste naar Tawhai falls: ’n keurige waterval. De tweede naar Lake Rotopounamou, en de derde naar een serie hot pools. Allemaal aardig, maar natuurlijk wel een tegenvaller ten opzichte van wat we hadden willen zien; 3 actieve vulkanen. Het was natuurlijk ook maar een gokje, want het skiseizoen was net dat weekend afgelopen. Pas in de zomer is het gebied echt goed te bewandelen.

De volgende ochtend werden we wakker met stralend en open weer! We hadden geen tijd meer om te wandelen, want onze volgende (en laatste) accommodatie hadden we al geboekt. Voor we naar het noorden reden, hebben we toch nog even een autotocht door het park gemaakt om wat foto’s van de vulkanen te maken. Onder andere van Mt Ngauruhoe, u wellicht bekend als Mount Doom in Mordor, in Tolkien’s ‘in de ban van de ring’. Een vulkaan zoals je een vulkaan zou tekenen, met keurig symmetrische hellingen, wat sneeuw langs de toppen voor dramatisch effect, en een wolk die uit de vulkaan leek te komen.
Fijn om ze toch nog te zien, maar ook wel weer jammer om een indruk te krijgen van wat we gemist hebben.

Onze laatste route voerde terug naar Auckland, en wel naar de Waitakere ranges. Ook hier een film-thema, want het strand van KareKare is gebruikt in de film ‘The Piano’ van Jane Campion. Dit gebied is minder bezocht door buitenlandse toeristen, en het is echt een pareltje.
Onze B&B heette Bush, Sand and Sea, en dat is een goede naam. De kust heeft zwart zand en prachtig gevormde rotsen. Er hangt een mysterieuze sfeer door mist en opspattend zeewater, wat een grijzige gloed over het landschap legt, en de kleuren veranderd in vergrijsd pastel. Het strand en de zwarte duinen gaan over in een prachtig regenwoud. De zonsondergang op sprookjesachtig Te Henga (Bethells beach) had een magische sfeer.

Het weer was de volgende dag nog steeds goed, dus: wandelschoenen aan. De eerste bestemming was een kolonie van Jan-van-genten bij Muriwai, waar we in korte tijd enorm veel foto’s hebben gemaakt. Je kon erg dichtbij de rotsen komen waar deze vogels in grote getalen hun nest aan het bouwen waren. Ze kwamen vlakbij langs gevlogen met nestmateriaal en waren druk met baltsen, nestjes bouwen en euh, druk ‘bezig’ dus. Spectaculair, om zo veel vogels bij elkaar te zien.
Daarna nog genoten van een wandeling door het regenwoud, en de dag weer beëindigd met een wandeling op het strand.
Traditioneel hebben we een hottub op het einde van onze vakantie, en ook hier. Deze keer stond die naast ons luxe huisje in het bos. De lichten en de pomp uit, en je had een mooi zicht op de sterrenhemel. Hemels.

Helaas was onze tocht afgelopen. De volgende ochtend nog een afscheidswandeling door het regenwoud, en op weg naar ons eerste vliegtuig. Het was nog even spannend, want we stonden niet op de passagierslijst… terwijl we 6 maanden geleden geboekt hebben. Gelukkig was de vlucht niet vol, en hadden ze een glutenvrije maaltijd ‘over’. Dat was erg vreemd. De KLM is gewoon vergeten onze namen door te geven aan Malaysia air, maar heeft wel het eten besteld. Het is altijd wat met de KLM.
Ook op de tweede vlucht was nog plek, maar het is toch even zweten als je niet weet of je in Kuala Lumpur moet blijven. Met een nachttemperatuur van bijna 30 graden bleven we nog even door zweten. Wel prettig dus dat we maar even moesten wachten voor we weer voor 13 uur het vliegtuig in mochten.

Inmiddels dus thuis en erg vermoeid maar nog vol indrukken van het prachtige, vreemde en diverse Nieuw Zeeland.

Zon, zee en regenwoud

We zitten nu op de pont, terug naar het Noordereiland. We hebben nog 4 dagen en dan is het helaas al weer afgelopen.
Na ’n wat regenachtig Wanaka reden we via de Westkust weer naar het noorden – in de zon. Normaal gesproken is het weer niet best. Er valt op sommige plekken ongeveer zes en een halve meter regen per jaar, maar wij hadden zon en 25 graden. 🙂

Het was tijd voor wat gletsjers, in de vorm van Fox en Franz Josef Glacier. Mooie wandeling, maar de gletsjers vielen wat tegen. Qua gletsjers zijn we natuurlijk ook erg verwend. De vallei die de gletsjer had gemaakt was indrukwekkender. Prachtige maar rommelige beeldhouwers.

Door het prachtige weer konden we de besneeuwde bergen goed zien, waaronder Mount Cook – deze keer vanaf de andere kant. Een wandeling rond Lake Matheson was een goed idee. Helaas was er te veel wind voor de klassieke foto van de weerspiegelingen van de bergen in het water. We konden wel wat andere mooie foto’s maken, maar helaas eindigde de wandeling met een valpartij van Koen. Gelukkig kon hij zijn camera veilig in de varens gooien terwijl hij viel, maar voor hemzelf was het een harde landing op het grint, met twee open geschaafde handen. Het viel gelukkig wel mee… Toch handig zo’n ehbo-tasje.

De volgende ochtend hadden we ontbijt met pannenkoeken. Dat wil zeggen; de Pancake Rocks. Deze rotsen zijn ‘gelaagd’ ontstaan, als een stapel pannenkoeken. Daarna is de zee flink aan de slag gegaan om er uitgeholde sculpturen van te maken, waardoor de meest fantastische vormen zijn ontstaan. In de rotsen was ook een stelsel van gangen en gaten. Door deze ‘blowholes’ werd door de zee een tamelijk orgastische kwak zeewater omhoog gestuwd, dat met een enorme golf weer neer kwam en van de rotsen droop.

Na al deze opwinding was het tijd voor een ontspannende wandeling door het Paparoa National Park. Eerst nog wat foto’s van de Weka’s (vogels) op de parkeerplaats. Die waren gewend aan mensen, en brutaal genoeg om de fototas van Anke uitgebreid te onderzoeken. Een wandeling langs de Porari River Track was idyllisch, en goed voor het echte Weka-gevoel. Twee super schattige Weka-kuikens, en een hardwerkende moeder die regelmatig met een verse worm aan kwam dragen.

Nog even naar Cape Foulwind om naar wat zeehonden te kijken, en daarna door naar Abel Tasman National Park. Deze nederlandsche meneer Tasman was de eerste blanke die Nieuw Zeeland ‘ontdekte’.
Het park is vooral per boot en te voet bereikbaar. Een combinatie leek ons een goed idee. Eerst een tocht met de watertaxi naar het noorden van het park, waarbij we onderweg wat mooie eilandjes en baaien konden bekijken. Het ziet er uit als een bounty-reclame, met fel blauw-groen water en gouden stranden. Er zit veel ijzer in het gesteente aan de kust, wat op het strand aanspoelt als goudkleurig zand. Erg mooi. Ook hier zeehonden gezien. Onder andere twee die bezig waren een octopus te verorberen. Dit doen ze door de octopus speels heen en weer te zwaaien, en zo stuk voor stuk de poten eraf te rukken. Het zag er aandoenlijk en afschuwelijk tegelijkertijd uit. Tja, je moet wat als je geen vork en mes bij de hand hebt. En geen handen.

De wandeling in het park was erg mooi, alhoewel we minder strand zagen dan we wilden. Ook hier weer een prachtig regenwoud met mos, varens en lianen. Voor we met de boot weer terug konden moesten we eerst nog een stuk blootsvoets door een lagune met laag water. In de minuut die we nodig hadden om onze schoenen op te bergen en anti-mug-middel te pakken, hadden de sandflies (soort vervelende stekende mugjes) ons al te pakken. Het jeukt dagen als een gek!

Ook het noorden van het park bezocht, maar de weg was zo slecht en bochtig dat we maar zeer langzaam konden rijden. De Waikoropupu Springs bekeken, waar ‘het zuiverste water van de wereld’ je tot heel diep in de bron en het meer laat kijken.
Als toetje nog een stukje van de Abel Tasman Inland Track gelopen, tot we de bocht om kwamen en het pad was verdwenen… Het was vloed geworden en het was ook wel mooi geweest, want we moesten nog een pontje halen.

Terug op het Noorder eiland gaan we nog in het Tongariro National Park kijken, maar de weersverwachting is slecht. We moeten dus nog maar zien hoe ver we de vulkanen kunnen beklimmen. In augustus is hier nog een uitbarsting geweest. Momenteel is het rustig, maar storm en sneeuw kunnen alsnog roet in onze vulkaantocht gooien.

We zullen zien.

Pinguïns en papegaaien

Inmiddels zitten we in een motel in regenachtig Wanaka. We hadden een paar dagen geen internet, dus het duurde even, maar hier ons tweede deel.

Ons verhaal eindigde een anderhalve week geleden met een dolfijnen-tour, die helaas gecanceld was vanwege te ruige zee… In plaats daarvan hebben we een uurtje bij wat zeeleeuwen rond gehangen en daarna gingen we op weg naar Mount Cook, de hoogste berg van Nieuw Zeeland. In Mt Cook National Park heerlijk gewandeld bij de Tasman Glacier. Een enorme gletsjer, met vallei, rotsen en sneeuw! Mount Cook beklimmen is alleen voor bergbeklimmers, maar we hebben hem wel tussen de wolken door kunnen fotograferen.

De volgende stop was Glenorchy, juist, aan een meer, met weer prachtige bergen met sneeuwtoppen. Het was een prachtig wandelgebied. Het had de dag ervoor veel geregend, dus sommige wegen waren veranderd in riviertjes. De wandeling naar Lake Sylvan was daarom ook bijzonder. Het ‘pad’ was veranderd in een stroompje, en op sommige plekken had het meer weg een ven. De route werd een enorme puzzel: hoe kom ik van deze pol met mos, droog, via die boomstronk bij dat heuveltje? Het was zeker de moeite waard, want het was een prachtig sprookjesachtig bos, met overal mos, varens en bomen met gezichten(!) De audio-voorziening was een koor van diverse vogels.
Een prima afsluiting met glutenvrije spare-ribs in ons hotel.

Milford Sound, onze volgende stop, ligt maar 35 kilometer verderop, maar vanwege wat tunnelloze bergen moesten we ruim 300 km omrijden. Geen straf, want het landschap is fantastisch. Ook hebben we hier de Kea ontmoet; een nieuwsgierige papegaai, die in de bergen leeft. Terwijl ik een foto van de mooie vogel wilde maken, sloop zijn ‘handlanger’ achter me langs en was bijna in de auto gesprongen. Ze maken vuilnisbakken en rugzakken open en zijn zeer intelligent. En fotogeniek.
Bij de Milford Sound kwamen we ook de bijzondere Weka tegen voor de serie ‘bijzondere Nieuw-Zeelandse vogels’.

Toen was het eindelijk tijd voor onze boottocht over de Doubtful Sound. John, onze schipper, pikte ons op bij Lake Manapouri. De eerste etappe was het enorme meer oversteken. Daarna gingen we met 4 andere gasten in een klein busje via een grindweg naar de Sound, een fjord met fantastische hoge bergen en eilanden vol begroeiing van mos en bomen.
De crew bestond uit 3, en de gasten dus uit 6 mensen. We hadden een eigen hut, en de crew kookte heerlijk voor ons. Wat een luxe. Ook het weer was geweldig. De dag ervoor en erna niet, maar wij hadden zon en uitzicht.

Tijdens deze tocht hebben we alsnog dolfijnen gezien, en zelfs de blauwe en de fiordland crested pinguïn. Heel bijzonder om pinguïns in het wild te zien. In de middag hebben we nog een kayaktochtje gemaakt en daarna was het tijd om te vissen! Koen heeft twee blue cod’s gevangen, en Anke zelfs 4. Het record van de dag! Die werden keurig schoongemaakt en ’s avonds als onderdeel van het avondeten gepresenteerd. Verser kan niet. Heel bijzonder om je eten zelf te vangen. Ook de vers gevangen crayfish (kreeftachtige) waren erg lekker. Als afsluiting van de dag nog een glaasje in de kajuit met de andere gasten. De boot ging voor anker in een baai, en daar konden we naar de sterrenhemel kijken, en daarna onze hut in om te slapen. De volgende dag voeren we terug naar Manapouri waar we in de middag nog een stukje van de Routeburn track hebben gelopen, door een enorm gematigd regenwoud, vol varens en lianen.

Voor we naar Wanaka reden hebben we nog een omweg gemaakt naar De Catlins, in het uiterste zuiden van het zuidereiland, om ook wat kustervaringen op te doen. Een ruige kust, waar de Grote Oceaan tegen de rotsen beukt, en de bomen krom groeien vanwege de stormachtige wind.
Het deed ons aan Ierland denken, met name omdat er overal schapen stonden. De meeste mensen hier zijn surfende schaapherders. Ook hier bijzonder wildlife gezien, in de vorm van de geeloog pinguïn, wat de meest zeldzame ter wereld is. We hebben er wat geschoten. Met de camera dus.
Op tijd opgestaan om de zonsopgang te bekijken vanuit ons huisje aan het strand. We hadden alleen onderburen: een blauwe pinguïn had een nest onder onze slaapkamer gemaakt. We hebben haar niet gezien, maar ’s nachts wel grappige geluidjes gehoord.
Hier nog wat korte wandelingen gemaakt, onder andere naar de Purakaunui waterval en het Catlins coastal rainforest.

Inmiddels zijn we dus in Wanaka, waar we voor het eerst echt slecht weer hebben. Een prima dag voor weblog en luieren. Morgen via de westkust omhoog. We hebben het nog druk met al die lekkere krenten uit de pap halen. Er is hier zo veel moois, dus het is moeilijk kiezen. Er komen nog wat lekkere stukjes aan.

Kia ora!

Oftewel; hallo! De tijd vliegt. Ook aan de andere kant van de wereld. We zijn inmiddels op het zuider eiland gearriveerd, en hebben er al een week op het noorder eiland op zitten.

Die week begon met een hele lange vlucht naar Auckland, waarover we verder kort zullen zijn. Het was voor een goed doel.
We hadden al snel behoefte aan natuur, en die vonden we in het Waipoua Kauri Forest. In dit bos groeien de meest bijzondere bomen en planten. Een cocktail van varens, palmbomen, yucca’s, lianen, manuka (teatree) en natuurlijk de immense Kauri. We mochten op audiëntie bij Tane Mahuta, de Maori god van het woud, die met een hoogte van 51 meter en een omtrek van 14 meter indrukwekkend te noemen was.
Het bos is een ongelooflijke ervaring. Het is dichtbegroeid, en je hoort voor het echte oerwoudgevoel de hele tijd vreemde-vogel-geluiden. Je verwacht elk moment een aap die voorbij slingert, maar het is hier echt te koud voor apen. (Een overigens aangename 15 graden.) Hier wonen de kiwi’s, een bijzondere vogelsoort, die eigenlijk meer van een zoogdier weg heeft, die we helaas niet in het wild hebben gezien, maar wel gehoord tijdens een avondwandeling. Het zijn nachtdieren. Ook leven in dit bos de Weta (grote sprinkhaanachtige), vleesetende slakken (!), de morepork (soort uil) en ja, ook een bijzondere spin…. (Echt iets voor Tim Burton.)

Even wat fotootjes tussendoor:

Die kiwi zagen we uiteindelijk wel in een vogelpark in Rotorua. Daar kon je ’s avonds in. In een ren kon je zachtjes rondsluipen, op zoek naar de kiwi. Na een lange, stille wacht hebben we er 4 gezien. Geweldige beesten! Je mocht ze niet fotograferen, want ze houden niet van flitsen.
In Rotorua waren we eigenlijk voor de geothermische activiteiten; geisers, fumarolen, kokende poelen en borrelende modder… Het was er allemaal en zeer fotogeniek. Een enorm vulkanisch landschap, waar afgelopen augustus nog een uitbarsting is geweest.
Vooralsnog aardig weer. Wat fris, maar regelmatig een zonnetje. Vandaag hadden we erg veel wind, maar het weer is hier nooit lang hetzelfde. Dat wil zeggen; four seasons in one day. Het zal zo wel weer beter zijn.

Ook hebben we wat over de Maori cultuur geleerd, via een rondleiding in Te Puia en het grote museum Te Papa in Wellington. (Papa betekent hier Earth Mother!) Overigens is de taal geweldig melodieus, en is het langste woord ter wereld een Maori-woord: Taumatawhakatangihangakoauauotamateaturipukakapikimaungahornukupo-kaiwhenuakitanathau.

Geen beren hier, maar wel veel koeien en schapen, en een grote diversiteit aan unieke vogels. Het landschap is sprookjesachtig en vervreemdend.

Inmiddels zijn we in Kaikoura. Morgen gaan we een dolfijnen-tour doen. Als afwisseling op de walvissen. Daarna rijden we de bergen in, richting Mount Cook. De storm is gaan liggen. Ik hoop dat de zeeziekte op de boot morgen meevalt.

Nieuw Zeeland

Nog een paar nachtjes slapen, dus het begint nu wel heel dichtbij te komen. Dit jaar gaan we voor het eerst tijdens de lente op reis, maar dan in oktober en november. Heerlijk. Traditiegetrouw zet ik alvast een kaartje hier, zodat je alvast een idee kunt krijgen van de route die we gaan afleggen.


(klik voor ’n vergroting)

En weer thuis

Jullie hebben nog een stukje verhaal te goed. De laatste week van onze vakantie begon niet al te best. Onze boottocht naar Blasket Island viel enigszins in het water. Dat wil zeggen, Ankes ontbijt viel in het water… We zouden nog op zoek gaan naar walvissen en dolfijnen, maar daar was de zee te ruw voor. De boot ging direct naar het eiland, waar we een paar uur konden rondlopen. We werden begroet door nieuwsgierige zeehondenkopjes in het water, en ook op het eiland konden we dichtbij zeehonden komen. Op het eiland was ook een verlaten dorp te zien. De terugweg was nog erger, en Anke heeft die grotendeels hangend over de reling doorgebracht.

Het werd allemaal een stuk beter in Killarney National Park. We weten nu waar alle bomen van Ierland zijn: in County Kerry. Een prachtige wandeling rondom Muckross lake was heerlijk, vooral omdat de zon zich zowaar liet zien. Muckross Abbey is de ruïne van een franciscaans klooster, compleet met begraafplaats met Keltische kruizen. The Gap of Dunloe is een prachtig stuk weg. Erg populair, maar na vier uur ’s middags heb je het kronkelende weggetje grotendeels voor jezelf.
Het park heeft bergen, bossen, meren en watervallen. Op veel plekken is het net een groot trollenbos. Bomen die allerlei kanten opgroeien, grillige rotsen, varens, en een grote deken van mos.
Wandelen maakt hongerig, en toevallig is er in Killarney een soort fastfood-zaak waar je glutenvrije pizza, hamburgers en zelfs fish ’n chips kunt krijgen. Ierland is een glutenvrij-walhalla.

Na een paar dagen in het park was het tijd voor ons laatste logeeradres: een huis in het midden van de Ring of Kerry. Ons huis had een turfkachel en uiteraard een jacuzzi onder de sterrenhemel. Het huisje ligt afgelegen, dus de sterren zijn erg goed te zien als je de lichten uit doet.
De Ring of Kerry is een route over het schiereiland Iveragh. Aan de ene kant de bergen van The Macgillicuddy’s Reeks, en aan de andere kant de kust, met kleine vissersdorpjes, stranden, rotsen, en rotsen waar mensen lang geleden mee hebben gezeuld in de vorm van standing stones en ringforten.
De Ring van Skellig en Valentia Island zijn eigenlijk nog mooier, omdat het wat pittoresker en intiemer is, en ook omdat er minder toeristen zijn. Mooie kliffen (Park your car here and enjoy the most spectacular views from Kerry. For only 8 euro.) en een vervallen kasteel op een weiland met koeievlaaien. Het is bijzonder om zo’n ruïne te beklimmen bij een ondergaande zon.

De laatste dag was het ontzettend mistig en het regende pijpenstelen. Echt een dag om naar huis te gaan. ’s Avonds vertrok de boot en de zee was gelukkig een stuk kalmer dan op de heenreis.

De poezen zijn blij ons weer te zien (of was het andersom?) en we hebben het al weer zo druk dat we bijna zouden vergeten dat we nog een paar (duizend) foto’s hebben uit te zoeken. Hieronder alvast een paar exemplaren, maar het duurt nog even voordat we een behapbare selectie op <a href=”http://www.eenofandere.com/” title=””>eenofandere.com</a> zetten. Daar berichten we later nog over.

De westkust van Ierland

Inmiddels zitten we in een B&B met uitzicht over de baai van Ventry, op het schiereiland Dingle, tenminste, ergens in de mist zou die baai moeten liggen. Ierland zit vol verborgen schoonheid. De storm is weg, maar het weer is nog steeds slechter dan gebruikelijk in Ierland. Dat wil wat zeggen.

De dag na de storm konden we wandelen in Glenveagh National Park, maar het waaide nog steeds heel erg, en de regen viel met bakken, dus zelfs met regenkleding aan vonden we het na een paar uur wel genoeg. De route naar het zuiden gaat in een wat langzamer tempo. De kliffen van Slieve League zijn de hoogste van europa. Spectaculair, vooral omdat de zee nog steeds erg ruig was. Een tussenstop in het stadje Sligo was geen succes. Deprimerende sfeer. Enige pluspunt was een Italiaans restaurant waar ze glutenvrije pizza’s hadden!

Connemara daarentegen was prachtig. We besloten wat langer te blijven. Het is een enorm veengebied met bergen en heel veel schapen. Nee, echt veel schapen. We besloten meteen maar een bergje te beklimmen. Dat viel toch tegen. Koen huppelde de berg op, maar Anke strompelde erachter aan. Het uitzicht op de kust van Galway was fantastisch, en het weer was zowaar redelijk. Daarna was het tijd voor Pub-grub, en Koen’s eerste Guinness. Koens carrière als alcoholist wil nog niet echt vlotten…
De volgende dag gingen we een ‘pelgrim’s-tocht’ doen naar St. Patrick’s bed, een mooie plek in de bergen. Zoals elke pelgrimstocht moesten we afzien. Te veel zonden? Het pad waarover we liepen was eigenlijk een riviertje, en na een half uurtje kwam de regen. Het is speciale Ierse regen; die gaat horizontaal, en blaast als ijskoude naaldjes in je gezicht. Toen zelfs de stoere schapen een veilig heenkomen zochten kwam het kleine kerkje in zicht, maar helaas was het gesloten. Daar sta je dan. In een ernaast gelegen soort grot konden we schuilen. Onze eersteklas regenkleding was doorweekt. Terug naar beneden gezwommen en nog meer water opgezocht in de vorm van een warm bad en een kop thee.
Vermeldenswaard was ook nog een tochtje naar het eiland Omey, waar je bij laag water gewoon over een groot strand naartoe kunt rijden. De krabbenpootjes in knoflookboter in Cleggan gaan meteen naar de top 3!

De ‘Cliffs of Moher experience’ was een afknapper. Jawel, best mooi die kliffen, maar Slieve League was mooier, en daar hoefde je geen geld voor te betalen. Het voelde meteen als een tourist-trap, en dat was het ook. Nee, dan de authenticiteit van het nationale park de Burren. Gutgut, we hadden zowaar zon! Een heerlijke tocht door een soort buitenaards maanlandschap van steen. Het leek nog het meest op een enorme stenen koeievlaai die over het landschap was uitgegoten. Door de regen zijn er allerlei maffe kloven en spleten in de steen ontstaan, waar weer bijzondere planten in groeien. In Neolitische tijd hadden de mensen het hier erg druk met het bouwen van ringforten, dolmen en tomben. Creatief met grote stenen. De beroemde Poulnabrone Dolmen staan ook al 5000 jaar. Het is er verboden om stenen op elkaar te leggen, en er liep een officiële meneer rond wiens taak het was om stenen die op elkaar gelegd waren weer van elkaar te halen (!). There can be only one.

Tijd om een pub op te zoeken met muziek. In het muziek-dorpje Doolin vonden we wat we zochten: een traditioneel Iers bandje, en een heerlijke Connemara Whiskey.
Morgen staat een boottocht naar de Blasket-Islands op het programma, als de weergoden het willen. Laten we maar een plengoffer brengen in de vorm van een… whiskey dan maar?